BAC 2023-14146
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 juni 2023 met de kenmerk UHT-DCH en 11 juli 2023 met
kenmerk UHT-O OGS B
Hoorzitting: 4 maart 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 12 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 30 juni 2023 gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen. De Commissie adviseert verder het bezwaarschrift tegen de beschikking van 11 juli 2023 ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen twee beschikkingen van UHT. Het gaat daarbij om de volgende beschikkingen:
- Definitieve beschikking tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) van 11 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B.
- Definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 30 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH;
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor 2014 en de maand januari van 2016. Over 2013, 2015 en de maanden februari tot en met december 2016 heeft belanghebbende geen recht op compensatie vanwege vooringenomenheid dan wel hardheid. Belanghebbende komt voor de jaren 2015 en 2016 wel in aanmerking voor een O/GS- tegemoetkoming. De hoogte van deze vergoeding bedraagt € 7.531.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over 2014 tot en met 2016. Op verzoek van gemachtigde is toeslagjaar 2013 ook in de beoordeling betrokken.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2013 en 2015 en de maanden februari tot en met december 2016 geen sprake geweest is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor toeslagjaar 2014 en de maand januari van 2016 is de compensatieregeling wel van toepassing. Belanghebbende heeft over de jaren 2015 en 2016 recht op een O/GS-tegemoetkoming.
- Met de brief van 22 mei 2023 heeft UHT belanghebbende laten weten dat het voorlopige compensatiebedrag is vastgesteld op € 27.058.
- UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 30 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 27.642. Belanghebbende wordt gecompenseerd over 2014 en voor de maand januari van 2016 vanwege vooringenomenheid. Over 2013, 2015 en de maanden februari tot en met december 2016 wordt belanghebbende niet gecompenseerd.
- UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 11 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 een O/GS-tegemoetkoming toegekend ter grootte van € 7.531. Belanghebbende heeft nog recht op een aanvullende vergoeding van € 5.173.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 juli 2023 tegen de beschikking van 11 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 juli 2023 tegen de beschikking van 30 juni 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 september 2024 op de bezwaarschriften schriftelijk gereageerd.
- Op 4 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende onderwerpen van het bezwaarschrift:
- De onderliggende stukken;
- Strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
De onderliggende stukken
Gemachtigde verzoekt om de onderliggende stukken. De Commissie stelt vast dat aan gemachtigde de schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken (ofwel: het bezwaardossier) op 18 december 2024 zijn toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet voldaan is aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond geen doel treft.
Strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat de twee bestreden beschikkingen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zijn genomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Door middel van de beschouwing, de bijlage van de compensatieberekening en de daarbij horende aanvullende producties zijn de bestreden beschikkingen voldoende onderbouwd. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, ziet de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze beginselen zijn geschonden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor 2014 en januari 2016 op juiste wijze heeft berekend.
De Commissie merkt op dat UHT in de schriftelijke beschouwing van 20 september 2024 de compensatieberekening opnieuw tegen het licht heeft gehouden. In de bijlage van de beschouwing wordt toegelicht dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor 2014 en januari 2016 te laag is berekend. Door uit te gaan van 11 juli 2023 in plaats van 4 juli 2023 komt deze vergoeding uit op hogere bedragen, namelijk € 5.310 en € 334. De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT dat door aanpassing van deze bedragen het bezwaar van belanghebbende gericht tegen de beschikking van 30 juni 2023 gedeeltelijk gegrond verklaard moet worden. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat de vergoeding voor de immateriële schade doorloopt tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. In aansluiting daarop zal in de compensatieberekening ook de 1% aanvullende vergoeding opnieuw moeten worden berekend.
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde nog een aantal bezwaargronden naar voren gebracht. Het gaat hierbij in essentie om de volgende onderwerpen:
- Verzoek om het ouderdossier;
- Vooringenomenheid met betrekking tot de toeslagjaren 2015 en 2016;
- Vaststelling van de O/GS-tegemoetkoming.
Verzoek om het ouderdossier
De Commissie rekent het ouderdossier niet als zodanig tot de op het bezwaar betrekking hebbende stukken, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Vooringenomenheid met betrekking tot de toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende voert aan dat zowel over 2015 als 2016 het gehele jaar kinderopvang heeft plaatsgevonden bij kinderdagverblijf. De informatie uit de KOI-viewer die B/T heeft gebruikt voor de vaststelling van de KOT is onjuist en onvolledig. B/T heeft voorafgaand aan de verlaging geen nadere uitvraagbrieven gestuurd, zodat er sprake is van vooringenomen handelen door B/T. UHT voert aan dat B/T niet jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld omdat is uitgegaan van de informatie in de KOI-viewer. Destijds is niet gebleken van contra-indicaties om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie.
De Commissie merkt op dat het ontbreken van uitvraagbrieven in de systemen van B/T een aanwijzing van vooringenomenheid kan opleveren. In de situatie van belanghebbende is geen vraagbrief die ziet op toeslagjaar 2015 in de systemen van B/T aangetroffen. De Commissie meent echter dat B/T in de veronderstelling leefde dat een dergelijke vraagbrief wel zou zijn verstuurd en dat belanghebbende hierop geen reactie gaf. B/T heeft vervolgens niet wegens het uitblijven van informatie van de zijde van de belanghebbende beschikt, maar de benodigde informatie uit de KOI-viewer gehaald en deze informatie bij de te nemen beschikking als uitgangspunt genomen. Uit deze informatie volgde dat over de periode 13 april tot en met 31 december 2015 kinderopvang werd afgenomen bij Stichting Kinderopvang [naam]. Op basis van deze informatie werd de KOT over 2015 neerwaarts bijgesteld naar € 4.324. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende tegen de beschikking van 6 oktober 2017, waarvan de ontvangst niet wordt betwist, bezwaar heeft willen maken. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt tegen deze beschikking die onherroepelijk is geworden, gaat de Commissie hieraan voorbij. De Commissie stelt daarbij voorop dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT.
Met betrekking tot toeslagjaar 2016 maakt de Commissie uit de onderliggende stukken op dat met de brief van 13 juni 2016 aan belanghebbende is gevraagd om aanvullende informatie. Belanghebbende heeft hierop geen reactie gegeven, zodat B/T daaropvolgend de stopbrief van 12 juli 2016 en de nihil beschikking van 22 augustus 2016 naar belanghebbende heeft gestuurd. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij begin 2016 wel heeft overwogen om naar Groningen te verhuizen, maar dat deze verhuizing uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft zich bij de gemeente Groningen ingeschreven omdat zij bij een gezin een kamer had gehuurd. Dat ging uiteindelijk allemaal niet door omdat dit gezin dan een probleem zou krijgen met de uitkering. Belanghebbende heeft zich bij de gemeente Groningen eerst veel later uitgeschreven. De Commissie acht het dan ook aannemelijk dat belanghebbende de uitvraagbrief van 13 juni 2016, de stopbrief van 12 juli 2016 en de nihil beschikking van 22 augustus 2016 niet heeft ontvangen omdat zij feitelijk in Lelystad verbleef.
De Commissie kan zich verder verenigen met het ingenomen standpunt van UHT dat de belanghebbende over 2016 vooringenomen is behandeld. Voorafgaand aan de nihilstelling heeft B/T de belanghebbende niet twee keer schriftelijk de gelegenheid geboden om informatie in te brengen. Voorts heeft UHT geconstateerd dat uit de KOI-viewer blijkt dat de belanghebbende over de maand januari 2016 kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie kan zich dan ook vinden in de conclusie van UHT dat de belanghebbende over de maand januari 2016 is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen.
De Commissie kan zich verder verenigen met het oordeel van UHT dat belanghebbende over de maanden februari tot en met december 2016 niet wordt gecompenseerd omdat geen gekwalificeerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. De belanghebbende heeft hierdoor over deze periode evident geen recht op KOT en dient daarom dan ook niet gecompenseerd te worden. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Vaststelling van de O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende is van mening dat de onderliggende stukken over hoe de O/GS-tegemoetkoming is vastgesteld, onvoldoende zijn.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2016 een O/GS-kwalificatie kreeg toegekend en daarom in aanmerking is gekomen voor een O/GS-tegemoetkoming. Belanghebbende is voor toeslagjaar 2014 en de maand januari 2016 conform de meest gunstige regeling gecompenseerd. De O/GS-tegemoetkoming heeft dus slechts betrekking op het jaar 2015 en op februari tot en met december 2016 en is vastgesteld op € 7.531. De Commissie ziet geen aanknopingspunten dat voor het vaststellen daarvan relevante gegevens zouden ontbreken. Deze bezwaargrond treft geen doel.
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende een vergoeding van de proceskosten toekomt. Omdat de hoogte van het compensatiebedrag wijzigt en de beschikking van 30 juni 2023 wordt herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en verschijnen op de hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Evenals in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking van 11 juli 2023 met kenmerk: UHT-O OGS B ongegrond te verklaren;
- het bezwaar gericht tegen de beschikking van 30 juni 2023 met kenmerk: UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening met betrekking tot de toeslagjaren 2014 en 2016 de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen naar respectievelijk: € 5.310 en € 334. De vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en voor de einddatum uit te gaan van de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. De aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) eveneens aan te passen;
- een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor van twee.
Secretaris
Fungerend voorzitter