BAC 2023-14813
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 augustus 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 23 mei 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 3 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 3 augustus 2023 (met kenmerk UHT-DCHA).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 15 juli 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat hij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- De commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 3 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 september 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 november 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 23 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft, ondanks daartoe op 14 juli 2025 in de gelegenheid te zijn gesteld en na een rappel van 30 juli 2025, niet gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking
Procedurele bezwaren
Onvolledig dossier, persoonlijk dossier en equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In zijn ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 19 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerkingen dat hij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2010 en 2011
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2010 en 2011
Belanghebbende voert aan het niet eens te zijn met de afwijzing van compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011, omdat volgens hem sprake is geweest van vooringenomenheid door B/T. Voor het toeslagjaar 2010 stelt belanghebbende dat de leverancierscode ''WBKV'' in de desbetreffende XML-bestanden de mogelijkheid open laat dat hij niet zelf wijzigingen of stopzettingen heeft doorgevoerd. Voor het toeslagjaar 2011 stelt hij dat B/T hem ertoe heeft bewogen de KOT stop te zetten, omdat hij volgens B/T in het risicoprofiel zou vallen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of hardheid in de handelwijze van B/T.
Om dit te kunnen beoordelen dient eerst de bezwaargrond die ziet op de leverancierscode te worden beoordeeld. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de leverancierscode ''WBKV'' de mogelijkheid open laat dat hij niet zelf wijzigingen of stopzettingen van de KOT voor het toeslagjaar 2010 heeft doorgevoerd, ziet de Commissie in dit geval geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van UHT, zoals verwoord in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 11 juli 2025 waarin is opgenomen dat de code ''WBKV'' ''een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van handeling door de ouder betreft''. Belanghebbende heeft immers voor de gehele aangevraagde periode (september-december 2010) KOT ontvangen.
In dat licht bezien stelt de Commissie ten aanzien van het toeslagjaar 2010 op basis van de stukken het volgende vast. Op 24 augustus 2010 is door of namens belanghebbende KOT aangevraagd met ingangsdatum 1 september 2010 bij kinderopvanginstelling (hierna: KOI) X. Vervolgens is door of namens belanghebbende de KOT op 25 november 2010 stopgezet met ingang van 17 december 2010. Op 11 december 2010 is opnieuw KOT aangevraagd met ingangsdatum 17 december 2010 bij KOI Y, welke kennelijk gevestigd was op hetzelfde adres als KOI X, te weten [adres]. Op 18 juli 2011 heeft belanghebbende het antwoordformulier aan B/T geretourneerd, vergezeld van de jaaropgave van de KOI aan [adres]. Hieruit blijkt dat in de periode september tot en met december 2010 opvang is genoten voor het kind, waarvoor B/T over die periode ook KOT aan
belanghebbende heeft toegekend.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 is de KOT automatisch gecontinueerd en bij
voorschotbeschikking van 4 december 2010 vastgesteld op € 13.666. Op 13 februari 2011 is door of namens belanghebbende de KOI gewijzigd naar Z, met
ingang van 1 januari 2011. Op 17 februari 2011 is naar aanleiding van een
telefoongesprek (belmutatie) de KOT stopgezet per 1 april 2011. Op 18 oktober 2012 is door of namens belanghebbende een antwoordformulier geretourneerd waarin is aangegeven dat in 2011 geen kinderopvang heeft plaatsgevonden. Hierop heeft B/T de KOT voor dat jaar op nihil gesteld.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2010 en 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze - zoals hierboven uiteengezet - het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het ongemak dat de bijstellingen voor belanghebbende met zich hebben meegebracht, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is, mede in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen, niet gebleken.
Voor zover belanghebbende betoogt dat hij door B/T gedwongen was om de KOT stop te zetten omdat hij volgens B/T in het risicoprofiel viel, overweegt de Commissie dat deze stelling geen steun vindt in de stukken. Daarbij weegt de Commissie mee dat in eerste instantie naar aanleiding van een belmutatie de KOT per 1 april 2011 was stopgezet, en dat door of namens belanghebbende later via een antwoordformulier van 18 oktober 2012 is aangegeven dat in 2011 geen opvang heeft plaatsgevonden. Bovendien stelt de Commissie vast dat belanghebbende niet in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is geregistreerd geweest. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen rekening heeft gehouden met zijn beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c, sub j, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit ongemotiveerd tot stand is gekomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt, naar blijkt, immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigende beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 3 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en de beschikking in stand te laten;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter