Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14802

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 10 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2014. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek aangepast naar een herbeoordeling van de jaren 2010, 2011 en 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 20 december 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat er gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft met de bestreden beschikking van 17 juli 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010, 2011 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 december 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag opgemaakt dat als bijlage bij dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Gevoegde behandeling;
    • Op de zaak betrekking hebbende stukken;
    • Niet herbeoordeelde jaren.

Gevoegde behandeling

Gemachtigde stelt dat ook de partner van belanghebbende gedupeerd is over de jaren 2008 en 2009. Dit blijkt uit een besluit dat voortvloeit uit een herbeoordelingsprocedure waarin zij geen partij is. De partner heeft op 17 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit dat is genomen in die herbeoordeling. Belanghebbende had graag gezien dat beide bezwaarprocedures gelijktijdig zouden zijn behandeld. Volgens haar is het onwenselijk dat deze procedures afzonderlijk worden afgehandeld. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 19 juni 2025 toegelicht dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de mogelijkheid om beide procedures gezamenlijk te behandelen.

De Commissie acht het begrijpelijk dat het, zowel vanuit het oogpunt van efficiëntie als ter voorkoming van extra belasting voor belanghebbende en haar partner, wenselijk werd gevonden om de bezwaarprocedures gelijktijdig te behandelen. Dit had mogelijk kunnen bijdragen aan een meer geïntegreerde beoordeling van hun situatie. Er is geen echter geen verplichting voor UHT om een dergelijk verzoek te honoreren. Nu UHT niet met het verzoek akkoord is gegaan, zal de Commissie in deze zaak slechts adviseren over het bezwaar van belanghebbende.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Gemachtigde voert aan dat niet over het volledige (persoonlijke) dossier wordt beschikt.

De Commissie stelt vast dat gemachtigde op 10 april 2025 de schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat niet is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Niet herbeoordeelde jaren

Belanghebbende stelt dat de KOT over de jaren 2008 en 2009 te laag is vastgesteld, omdat onder meer het uurtarief hoger zou zijn geweest.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende oorspronkelijk betrekking had op de jaren 2007 tot en met 2014. Na overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek, na een gesprek met belanghebbende, beperkt tot de jaren 2010, 2011 en 2014. Deze beperking vond plaats omdat belanghebbende uitsluitend in deze jaren KOT heeft ontvangen. De jaren 2008 en 2009 maken daarom geen onderdeel uit van de herbeoordeling.

Aangezien het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen aanleiding om de jaren 2008 en 2009 alsnog bij haar advisering te betrekken. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

De Commissie merkt volledigheidshalve nog op dat een beoordeling van de aanpassing van de hoogte van de KOT, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld, buiten de reikwijdte van de Wht valt.

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Reguliere bijstellingen voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014

De Commissie overweegt dat, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), dan wel van hardheid als bedoeld in de Wht.

De bijstellingen van de KOT betroffen correcties op te hoog vastgestelde voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Voor het jaar 2010 blijkt uit de onderliggende stukken dat B/T de KOT tweemaal neerwaarts heeft bijgesteld: eerst door een aanpassing van het aantal opvanguren van 80 naar 48 en vervolgens op basis van gegevens uit de KOI-viewer. Hieruit blijkt dat in de periode van 15 maart 2010 tot 9 oktober 2010 in totaal 350,89 uur aan kinderopvang is afgenomen.

Met betrekking tot 2011 is B/T uitgegaan van de telefonische melding van belanghebbende op 9 december 2010, waarin zij verzocht de KOT stop te zetten. Naar aanleiding hiervan is de voorschotbeschikking van 3 december 2010 (waarin de toeslag op € 3.058 was vastgesteld) herzien. Bij beschikking van 28 december 2010 is de toeslag herzien naar nihil. In de stukken heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat de telefonische melding niet van belanghebbende afkomstig zou zijn. Het zou in dat geval voor de hand hebben gelegen dat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen zowel deze nihilbeschikking als tegen de definitieve beschikking van 2 februari 2013. Belanghebbende heeft dit niet gedaan, zodat beide beschikkingen in rechte zijn komen vast te staan. Daarnaast heeft belanghebbende haar stellingen in deze bezwaarprocedure niet met aanvullende informatie aannemelijk gemaakt. Uit de KOI-viewer blijkt bovendien niet dat belanghebbende in 2011 gebruik heeft gemaakt van buitenschoolse opvang.

Voor het toeslagjaar 2014 heeft UHT in de aanvullende beschouwing van 19 juni 2025 toegelicht dat de stopzetting van 8 mei 2014 door belanghebbende zelf is verricht. Uit de melding "burger zet toeslag stop" blijkt dat dit initiatief van belanghebbende afkomstig zou zijn. Dat zij zich destijds in een WSNP-traject bevond, doet aan deze constatering niet af. Indien een bewindvoerder namens haar had gehandeld, zou dat expliciet in het dossier zijn vermeld. Gemachtigde heeft echter aangevoerd dat de aanduiding "burger zet toeslag stop" niet altijd betekent dat de burger daadwerkelijk zelf de toeslag heeft stopgezet. Volgens destijds geldend beleid kon B/T ook ambtshalve de toeslag stopzetten, waarbij die actie als "burger zet toeslag stop" werd geregistreerd. Uit het behandelvoorschrift Risicoselectie - vraagbrief blijkt dat daarom niet zonder meer aangenomen kan worden dat belanghebbende de stopzetting op 8 mei 2014 zelf heeft verricht.

De Commissie maakt uit de melding van 8 mei 2014 - met de kenmerken "Brontype 07 - namens burger", "Kanaal 02 - elektronisch" en "Gebeurtenistype 009 - Burger zet toeslag stop" - op dat de stopzetting niet rechtstreeks door belanghebbende is gedaan. Deze is namens haar verricht, vermoedelijk door haar bewindvoerder, gemachtigde of belastingadviseur. De melding is elektronisch ingediend met als doel de KOT met ingang van 1 juni 2014 te beëindigen. De Commissie acht het aannemelijk dat bewindvoerder van belanghebbende, de melding heeft gedaan. Dit blijkt ook uit het feit dat B/T het voorschot op 21 juni 2014 heeft aangepast van € 14.893 naar € 4.470 en de bewindvoerder hierover heeft geïnformeerd.

Met het antwoordformulier van 30 april 2015 heeft opvolgende bewindvoerder van belanghebbende, aan B/T doorgegeven dat de kinderopvang liep tot en met 31 mei 2014. Bij dit formulier waren twee jaaropgaven over 2014 gevoegd. Op basis hiervan heeft B/T de KOT op 7 januari 2016 definitief vastgesteld op € 4.530. De Commissie heeft geen informatie aangetroffen waaruit blijkt dat belanghebbende na 1 juni 2014 nog gebruik heeft gemaakt van buitenschoolse kinderopvang. Tegen de beschikkingen van 21 juni 2014 en 7 januari 2016 is geen bezwaar gemaakt, waardoor deze vast zijn komen te staan. Ook in deze bezwaarprocedure is niet aannemelijk geworden dat B/T is uitgegaan van onjuiste informatie. De informatie uit de KOI-viewer over 2014 stemt overeen met de jaaropgave van het eerste kind van belanghebbende. Met betrekking tot het tweede kind van belanghebbende heeft de Commissie geen informatie vanuit de KOI-viewer aangetroffen. De Commissie stelt vast dat B/T toch rekening heeft gehouden met de afgenomen kinderopvang van haar twee kinderen.

Gelet op het voorgaande stelt de Commissie vast dat B/T de bijstellingen conform de wettelijke kaders heeft uitgevoerd. Dergelijke reguliere aanpassingen geven in beginsel geen aanleiding tot een hardheidstegemoetkoming. De Commissie ziet geen reden om in dit geval anders te oordelen. Ook is er geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook op die grond geen aanspraak op compensatie bestaat.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Mediationtrajeet

De Commissie kan zich voorstellen dat B/T open staat voor mediation ook in de gevallen waarin is vastgesteld dat iemand niet gedupeerd is in de zin van de Wht. De Commissie staat hier verder buiten.

Proeeskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter