Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15524

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 februari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden

Overdracht advies aan UHT: 13 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T)onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 mei 2023, ingekomen op 23 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. In het bezwaarschrift stelt gemachtigde dat het door belanghebbende op 8 juli 2022 ingediende en op
    18 juli 2022 ontvangen bezwaarschrift, gericht tegen beschikking UHT-CHR GU (uitkomst eerste toets) van 14 juli 2022, mede geacht moet worden te zijn gericht tegen de bestreden beschikking.
  • Bij beslissing op bezwaar van 23 mei 2024 heeft UHT het bezwaarschrift tegen beschikking UHT-CHR GU niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat aan belanghebbende met (de bestreden) beschikking UHT-DCHA van 13 februari 2023 de uitkomst van de integrale beoordeling was meegedeeld.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 10 juni 2024, ingekomen op 13 juni 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 2 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend. Deze stukken zijn aan belanghebbende verstrekt.
  • Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
  • Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
  • Dit advies wordt zonder dat belanghebbende is gehoord, uitgebracht door

Ontvankelijkheid

Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Vaststaande feiten (voor zover relevant)

  • Op naam van belanghebbende is nooit KOT aangevraagd, noch is er KOT aan belanghebbende toegekend, terwijl bij belanghebbende ook nooit KOT teruggevorderd of verrekend is met andere toeslagen.
  • Aan belanghebbende zijn de op deze zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Daarin zijn geen aanwijzingen te vinden voor de veronderstelling dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoet-koming heeft afgewezen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Het ouderdossier is weliswaar mager en incompleet1,
maar dat eerste valt te verklaren doordat bij Belastingdienst/Toeslagen geen gegevens van belanghebbende bekend zijn die betrekking hebben op KOT.
In zijn bezwaarschrift van 8 juli 2022 stelt belanghebbende ook niet dat hij een aanvraag voor KOT heeft gedaan.

Ook in het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift en de aanvulling daarop, wordt niet met gegevens onderbouwd dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd. Niettemin is voldaan aan de hiervoor vermelde verplichting van artikel 7:2 lid 4 Awb doordat de Commissie zelf heeft gedaan wat UHT had behoren te doen, door alle relevante stukken, waarover belanghebbende ook beschikt, zelf te vergaren en aan belanghebbende te verstrekken.

Toets artikel 2.1. lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426.
Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Het is voor belanghebbende nadelig geweest indien en voor zover hij verkeerd is geïnformeerd over het hebben of krijgen van een recht op KOT door de B/T. Eventueel verkeerde voorlichting op dit punt geeft echter geen recht op een herstelmaatregel op grond van de Wht. Daarvoor bestaat geen grondslag in de Wht. Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie merkt op de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende, problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.

Bezwaar is kennelijk ongegrond (en daarom is belanghebbende niet gehoord)
De Commissie heeft belanghebbende in kennis gesteld van haar voorlopige conclusie en haar voornemen UHT te adviseren het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren, zonder belanghebbende vooraf te horen. Op grond van artikel 3 lid 2 sub b van de

Instellingsregeling van de Commissie en artikel 7:13 lid 4 Awb in samenhang met artikel 7:3 Awb, mag de Commissie afzien van horen als een bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Belanghebbende is nog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken gemotiveerd te laten weten waarom hij wel gehoord zou moeten worden.

Daarbij is ook meegedeeld dat de Commissie advies uitbrengt zonder hem te horen als hij niet (of niet tijdig) reageert of als een reactie geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Belanghebbende heeft niet (tijdig) gereageerd.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar (kennelijk) ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter