BAC 2025-15489
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 27 augustus 2025
Overdracht advies aan UHT: 14 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 5 juni 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.857,- voor het jaar 2012 en de maanden januari tot en met september 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010 en de maanden oktober tot en met december 2013 en het jaar 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 en 2013. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2010, 2012, 2013 en 2016 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.073,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.857,- voor het jaar 2012 en de maanden januari tot en met september 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010, de maanden oktober tot en met december 2013 en het jaar 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- UHT heeft op 24 juli 2025 een nader stuk overgelegd.
- Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 9 augustus 2025 aangevuld.
- Op 27 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2012 en de maanden januari tot en met september 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoet-koming voor het jaar 2010, de maanden oktober tot en met december 2013 en het jaar 2016 af te wijzen.
Toegekende compensatie 2012 en januari tot en met september 2013
Het geschil ziet op de vraag of de rente over de gemiste KOT (component o) juist is berekend. UHT stelt zich in de beschouwing ten aanzien van de rentevergoeding voor gemiste KOT op het standpunt dat deze over de jaren 2012 en 2013 onjuist is berekend, maar dat dit in het voordeel van belanghebbende is. Het juiste bedrag voor 2012 is € 7.675,-, het toegekende bedrag is € 7.690,-. Het juiste bedrag voor 2013 is € 5.457,- en het toegekende bedrag is € 5.469,-. Omdat de fout in het voordeel van belanghebbende is geweest, zal dit niet worden aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat de compensatie over toeslagjaar 2010 ten onrechte is afgewezen. B/T zou vooringenomen hebben gehandeld door de door haar doorgegeven wijzigingen niet tijdig te verwerken. UHT heeft toegelicht dat sprake is van een geautomatiseerd proces, wat tot gevolg heeft dat verschillende meldingen op verschillende momenten worden verwerkt. In dit geval zijn alle meldingen binnen twee maanden verwerkt. Van vooringenomen handelen van B/T is geen sprake geweest, aldus UHT.
De Commissie overweegt dat een verschil in de verwerkingsduur van door een ouder gemelde aanvraag of wijziging in de aanvraag op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat sprake was van vooringenomen handelen door B/T. Daarvoor is meer nodig. De Commissie heeft geen andere aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de behandeling van de KOT over 2010 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
Gedeeltelijke afwijzing van compensatie over toeslagjaar 2013 (oktober t/m december)
De Commissie stelt vast dat over het jaar 2013 vooringenomenheid is aangenomen en belanghebbende voor de maanden januari tot en met september is gecompenseerd.
Compensatie over de maanden oktober tot en met december 2013 is afgewezen omdat belanghebbende in die maanden geen gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en daarom sprake zou zijn van een situatie van evident geen recht.
In verband hiermee is component a in de compensatieberekening naar rato vastgesteld op een bedrag van € 18.036,- (9/12e deel van € 24.048,-).
Hieronder zal eerst een toelichting worden gegeven over het verloop van het toeslagjaar.
In het toeslagjaar 2013 heeft belanghebbende al in januari tweemaal een herzieningsverzoek moeten indienen omdat zij niet de volledige KOT ontving. Vervolgens zijn in juni 2013 de opvanguren door B/T zonder nadere uitvraag verlaagd.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat ten onrechte geen rekening werd gehouden met het verplichte inburgeringstraject dat belanghebbende bij de gemeente Den Haag volgde. Omdat het bezwaar van belanghebbende gegrond is verklaard, is zij niet uitgenodigd om haar bezwaar mondeling toe te lichten (productie 1213006 beslissing op bezwaar 31-07-2013). Wel heeft B/T in het kader van de bezwaarbehandeling op 25 juli 2013 telefonisch contact opgenomen met de kinderopvanginstelling; belanghebbende is niet geïnformeerd over dit telefonisch contact. In dat gesprek zou de kinderopvang-stelling hebben meegedeeld dat de opvang per 16 september 2013 zou eindigen omdat deze door belanghebbende werd opgezegd. B/T heeft hierover wederom geen uitvraag gedaan bij belanghebbende maar op 25 juli 2013 de KOT ambtshalve beëindigd per 16 september 2013 (productie 1213005).
Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar ingediend en in de KOI-viewer is geen melding van opvang. De eerstvolgende aanvraag kinderopvang is gedaan op 4 januari 2016 met ingang van 1 maart 2016. UHT stelt zich op het standpunt dat geen compensatie hoeft te worden toegekend over de periode van oktober tot en met december 2013 omdat er in die periode geen opvang was.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend.
Tussen partijen staat vast dat de B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld ten aanzien van toeslagjaar 2013. Daarnaast is de Commissie van mening dat het op 25 juli 2013 ambtshalve stopzetten van de KOT per 16 september 2013 eveneens kan worden gekwalificeerd als vooringenomen handelen nu belanghebbende niet op de hoogte is gesteld van het gesprek met de kinderopvangstelling en ook niet in de gelegenheid is gesteld nadere informatie aan te leveren. De Commissie is van opvatting dat er geen grondslag is om compensatie achterwege te laten nu er geen sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende kan worden toegerekend.
Zij overweegt dat de bewijslast dat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn op UHT rust.
De ernstige onregelmatigheid waarvan volgens UHT in dit geval sprake is, is het deels ontbreken van opvang waardoor geen recht op KOT bestond. Het ontbreken van opvang is echter een direct gevolg van het (vooringenomen) handelen van B/T om op 25 juli 2013 de KOT per 16 september 2013 stop te zetten en kan dus niet aan belanghebbende worden toegerekend.
De uitleg van UHT dat als over een bepaalde periode geen sprake is geweest van gekwalificeerde kinderopvang er sprake is van evident geen recht gaat niet in op het element dat er sprake moet zijn van handelen dat aan de ouder kan worden toegerekend. In de Memorie van Toelichting bij de Wht wordt als voorbeeld van een ernstige onregelmatigheid genoemd: “als het kind waarvoor KOT is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten.” (onderstreping toegevoegd). In deze voorbeelden is er sprake van toerekenbaarheid aan ouder nu er bijvoorbeeld KOT wordt aangevraagd voor een kind dat niet bestaat of een kind dat in het geheel geen opvang heeft genoten. Wanneer er in een bepaalde periode geen opvang is genoten, en dit het gevolg is van vooringenomen handelen van B/T, kan niet gesproken worden van een ernstige onregelmatigheid die aan ouder kan worden toegerekend.
De enige andere grond om compensatie achterwege te laten is als er geen sprake is van schade. Ook aan deze voorwaarde wordt niet voldaan. In de Memorie van Toelichting bij de Wht is overwogen dat als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.
Een wettelijke grondslag voor het uitzonderen van de maanden oktober tot en met december 2013 ontbreekt daarom. De compensatieberekening dient uit te gaan van de voorschotbeschikking die voorafging aan het vooringenomen handelen zonder de maanden oktober tot en met december 2013 uit te zonderen.
De Commissie adviseert tot gegrondverklaring van dit onderdeel van het bezwaar.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2016
Het toeslagjaar 2016 is niet voor compensatie in aanmerking gekomen. Volgens belanghebbende is de neerwaartse bijstelling het gevolg van het ontbreken van een LRK-nummer. Het niet doen van uitvraag bij belanghebbende voorafgaand aan de verlaging is vooringenomen handelen.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing en tijdens de hoorzitting toegelicht dat op 11 juli 2016 het geautomatiseerde systeem de lasten per 4 juli 2016 op nul heeft gezet. De reden hiervoor is niet te achterhalen. Mogelijk is dit het gevolg van een ”bug” in het systeem. Het heeft echter niet tot een gewijzigde beschikking geleid. Belanghebbende heeft namelijk meteen digitaal gereageerd en op 13 juli 2016 weer lasten per 4 juli 2016 opgevoerd. Hierbij heeft zij een einddatum opgegeven, namelijk 4 augustus 2016 (productie 2700007). Gebleken is dat het LRK-nummer van de KOI na 6 augustus 2016 niet meer geregistreerd is.
Mogelijk is de locatie opgehouden te bestaan of verhuisd.
Niet in geschil is dat belanghebbende de opvang per 4 augustus 2016 heeft stopgezet. Verder is niet gebleken is belanghebbende na deze datum nog opvang heeft afgenomen.
De Commissie heeft in de toedracht als voormeld geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De door belanghebbende doorgegeven einddatum van de opvang van 4 augustus 2016 heeft haar KOT-aanvraag op die datum doen eindigen en geleid tot de verlaging van de KOT bij beschikking van 22 augustus 2016. Aldus is de KOT door een reguliere wijziging opnieuw berekend. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
Volledigheidshalve overweegt de Commissie dat in het niet-automatisch continueren van de KOT in 2017 geen aanknopingspunt ligt voor compensatie voor toeslagjaar 2017. Met het eindigen van de lopende aanvraag in 2016 was er immers geen aanvraag op basis waarvan B/T kon besluiten om KOT toe te kennen vanaf januari 2017.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerder zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de periode van oktober tot en met december van toeslagjaar 2013;
- de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met een wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter