BAC 2025-15452
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 9 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 23 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, aan belanghebbende alsnog compensatie over toeslagjaar 2012 toe te kennen op grond van vooringenomenheid en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 16 december 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2023, ingekomen op 6 december 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 juni 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Desgevraagd heeft UHT op 4 juli 2025 meegedeeld dat de Commissie van Wijzen niet is geraadpleegd.
- Op 4 juli 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend met diverse bijlagen.
- Bij brief van 7 juli 2025 heeft gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 9 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Afwijzing compensatie en O/GS-tegemoetkoming
Aan belanghebbende is over de jaren 2011 en 2012 geen compensatie of een O/GS-tegemoetkoming toegekend.
De Commissie stelt vast dat alleen toeslagjaar 2012 in geding is. Belanghebbende vindt dat zij voor dit jaar in aanmerking komt voor compensatie. De stopzetting van de KOT door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) per 27 februari 2012 getuigt van vooringenomenheid danwel hardheid.
De Commissie stelt vast dat B/T bij beschikking van 21 april 2012 de KOT met terugwerkende kracht per 27 februari 2012 heeft stopgezet naar aanleiding van een melding van de gemeente dat er geen geldig adres is. Op de hoorzitting is toegelicht dat hiermee wordt bedoeld dat belanghebbende en haar zoon niet op hetzelfde woonadres waren ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) wat een voorwaarde is voor het recht op KOT.
Op de hoorzitting heeft gemachtigde namens belanghebbende verteld dat zij zich na het gesprek met de pzb’er en na ontvangst van het dossier, meer is gaan herinneren.
Belanghebbende heeft aan B/T een wijziging doorgegeven van kinderopvanginstelling [naam] naar gastouderopvang, waarbij ze het rekeningnummer van de gastouder heeft doorgegeven. De Commissie stelt vast dat dit ook blijkt uit het dossier: de wijziging dateert van 23 januari 2012 met beoogde ingangsdatum 1 februari 2012.
Belanghebbende werd kort daarop (zij meent op 20 februari of 20 maart 2012) door de gastouder aangesproken in de kerk omdat deze geen KOT had ontvangen.
Belanghebbende heeft hierover gebeld met de Belastingtelefoon en kreeg te horen dat zij geen recht had op KOT en dat de KOT was stopgezet. Door deze mededeling raakte zij in paniek en heeft zij de opvang door de gastouder meteen stopgezet, omdat zij de opvangkosten niet zelf kon betalen. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar verklaring een verklaring van de gastouders [naam] en [naam] overgelegd.
Belanghebbende wijst voorts op pagina 159 van het dossier.
Hieruit leidt zij af dat de door haar doorgegeven wijziging van 23 januari 2012 direct leidde tot plaatsing op de uitvallijst. Uit de opvolgende meldingen, van
28 februari 2012 en 3 maart 2012, blijkt dat in de systemen van B/T al bekend was dat de KOT per 27 februari 2012 zou worden stopgezet omdat belanghebbende en haar zoon niet meer op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
Naar de Commissie meent, verklaart dit waarom belanghebbende al vóór de stopzetting van de KOT bij beschikking van 21 april 2012 op de hoogte was van de (naderende) stopzetting en waarom zij al daarvoor de gastouderopvang heeft stopgezet. De Commissie ziet in het LIC-overzicht 2012 ook dat B/T de KOT is blijven overmaken aan [kinderopvanginstelling] ondanks het wijzigingsverzoek van belanghebbende per 1 februari 2012. Het verhaal van belanghebbende is in lijn met de stukken in het dossier.
UHT stelt zich op het standpunt dat de stopzetting van de KOT door B/T bij beschikking van 21 april 2012 getuigt van hardheid (beschouwing van 18 maart 2025, pagina 5 onderaan). De Commissie is echter van oordeel dat de stopzetting van de KOT door B/T bij beschikking van 21 april 2012 met terugwerkende kracht per 27 februari 2012 een vooringenomen handeling jegens belanghebbende betreft. Hiertoe overweegt de Commissie in de eerste plaats dat belanghebbende en haar zoon destijds wel op hetzelfde briefadres waren geregistreerd; B/T heeft ten onrechte nagelaten om uitvraag te doen via dit adres om te achterhalen of belanghebbende en haar zoon feitelijk op hetzelfde adres woonden. In dit verband stelt de Commissie vast dat uitzonderingen mogelijk zijn op de hoofdregel dat de ouder en het kind in de BRP op hetzelfde woonadres moeten zijn ingeschreven om in aanmerking te komen voor KOT. Het gaat hierbij om situaties waarin de ouder en kinderen niet op hetzelfde woonadres in de BRP staan ingeschreven, maar waarbij wel voldoende vaststaat dat de ouder en kinderen feitelijk op hetzelfde woonadres verblijven. (Uitspraak van rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7067.)
In dit geval is de aannemelijkheid hiervan ook aangenomen, zoals blijkt uit het gespreksverslag (productie 0300001, pagina 21 dossier: “Op het eerste gezicht is het aannemelijk dat ouder na de stopzetting nog samen met haar kind op hetzelfde adres woonde.”). Dit had uit de nagelaten uitvraag al kunnen blijken.
Bovendien was op het moment dat B/T de KOT heeft stopgezet bij beschikking van 21 april 2012 alweer sprake van een inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP: per 10 april 2012 stonden belanghebbende en haar zoon beiden ingeschreven op het hetzelfde adres. Daarmee voldeed belanghebbende voor de stopzetting door B/T op 21 april 2012 aan deze voorwaarde voor KOT.
Volgens de Commissie is gelet hierop sprake van vooringenomen handelen.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan.
Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. UHT stelt dat sprake is van evident geen recht op KOT omdat er na 16 februari 2012 geen sprake meer is geweest van opvang. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht.
De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
Als sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan compensatie in de weg kan staan, dan wordt beoordeeld of die ernstige onregelmatigheid toerekenbaar is aan de ouder. De Commissie meent dat dit niet het geval is; de ernstige onregelmatigheid waarvan volgens UHT in dit geval sprake is, is het ontbreken van opvang waardoor geen recht op KOT bestond. Dit is echter niet aan belanghebbende toerekenbaar maar een gevolg van het (vooringenomen) stopzetten van de KOT door B/T. Daarnaast heeft belanghebbende ook verklaard dat haar zoon wel voor korte tijd is opgevangen door de gastouder totdat de gastouder aangaf geen betalingen van B/T te ontvangen. Omdat geen sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is, staat dit niet aan het toekennen van compensatie in de weg. Daarom adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie over toeslagjaar 2012 toe te kennen aan belanghebbende.
Dossier niet volledig
Belanghebbende betoogt dat het door UHT overgelegde dossier niet volledig is conform de lijst die door UHT en de Werkgroep van Advocaten van gedupeerde ouders is vastgesteld. Dit is de ondergrens van de stukken die in het dossier aanwezig moeten zijn. De gespreksverslagen (van telefoongesprekken met de Belastingtelefoon) uit de periode 2011 tot 2021 ontbreken evenals de XML-bestanden van de wijzigingen uit 2012.
UHT heeft het dossier op 4 juli 2025 aangevuld. Door belanghebbende is daarna niet gesteld dat het dossier nog steeds onvolledig is zodat de Commissie aanneemt dat het dossier nu ook volgens belanghebbende volledig is.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomenheid;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter