BAC 2025-15439
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 juni 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 14 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 1 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 28 april 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW is van oordeel dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 juli 2024, ingekomen op 2 juli 2014, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop, ondanks herhaalde verzoeken, niet gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Vertrouwensbeginsel
Gemachtigde stelt zich op het standpunt niet in de gelegenheid te zijn gesteld zijn zienswijze op de vooraankondiging kenbaar te maken. Hierdoor is volgens hem het vertrouwensbeginsel geschaad.
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de persoonlijk zaaksbehandelaar van UHT na de vooraankondiging een telefoongesprek heeft gevoerd met belanghebbende en een vriendin van belanghebbende.
De gemachtigde van belanghebbende is hier niet bij betrokken geweest, ondanks dat hij daar kennelijk expliciet om heeft gevraagd.
De Commissie overweegt dat, hoewel dit inderdaad niet de meest voor de hand liggende gang van zaken is, belanghebbende in deze bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat belanghebbende verder niet heeft aangevoerd welk nadeel zij door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) onzorgvuldig heeft gehandeld. B/T heeft op basis van de door de betreffende kinderopvanginstelling aangeleverde gegevens de KOT verlaagd over het toeslagjaar 2018. Volgens belanghebbende had B/T haar eerst moeten informeren over de juistheid van deze informatie. Naar haar mening heeft B/T hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
In haar aanvullende beschouwing acht UHT het bezwaar van belanghebbende gegrond. UHT is van mening dat de bestreden beschikking onvoldoende is voorbereid, omdat B/T niet de nodige kennis heeft verzameld over alle relevante feiten. B/T heeft het aantal opvanguren verlaagd op basis van de betaalde opvanguren zonder voldoende onderzoek te verrichten of de kinderopvang over de niet betaalde facturen daadwerkelijk is afgenomen. Ook de situatie dat belanghebbende in de WSNP zat en daardoor de eigen bijdrage niet kon betalen is onvoldoende afgewogen bij de het nemen van het besluit.
Nu UHT in haar aanvullende beschouwing is uitgegaan van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, ziet de Commissie geen aanleiding anders te adviseren.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Vooringenomen handelen en hardheid
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag in beginsel vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de definitieve vaststelling van de KOT voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Toeslagjaar 2017
Voor toeslagjaar 2017 geldt dat er geen neerwaartse correcties zijn gedaan en dat er geen KOT is teruggevorderd door B/T. Het definitief vastgestelde KOT-bedrag is gelijk aan het voorschot. Belanghebbende komt daarom voor dit toeslagjaar niet in aanmerking voor compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
Over toeslagjaar 2018 heeft een verlaging van de KOT plaatsgevonden.
Het definitieve KOT-bedrag is uiteindelijk naar beneden bijgesteld omdat uit door belanghebbende en de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) aangeleverde informatie is gebleken dat belanghebbende niet alle opvangfacturen tijdig heeft voldaan. Op basis van de door belanghebbende en de KOI verstrekte informatie heeft B/T een herberekening van de KOT uitgevoerd. Bij deze herberekening is de KOT proportioneel toegekend op basis van het aantal betaalde facturen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3535) geoordeeld dat B/T bij een gedeeltelijke betaling van de kosten van KOT kan overgaan tot een andere vaststelling dan een nihilstelling van het recht op KOT. De KOT wordt in dat geval naar rato van het bedrag aan kosten die tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie vastgesteld. Dit wordt proportionele toekenning van KOT genoemd.
Naar aanleiding van deze uitspraak is het Verzamelbesluit Toeslagen vastgesteld, waarin nadere invulling is gegeven aan de begrippen ‘tijdige betaling’ (onderdeel 3.2.1) en ‘proportionele toekenning’ (onderdeel 3.1). Als tijdige betaling wordt aangemerkt: iedere betaling aan een kinderopvangorganisatie die door de ouder is verricht vóór 1 maart van het jaar volgend op het betreffende berekeningsjaar.
Op deze termijn zijn uitzonderingen mogelijk indien met de kinderopvangorganisatie een betalingsregeling is overeengekomen (onderdeel 3.2.2), of wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden (onderdeel 3.2.3).
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat belanghebbende over het toeslagjaar 2018 niet alle facturen vóór 1 maart 2019 heeft voldaan. B/T mocht bij de beoordeling uitgaan van de juistheid van de door belanghebbende en de kinderopvangorganisatie aangeleverde gegevens. Niet is gebleken dat belanghebbende een betalingsregeling heeft getroffen met de opvangorganisatie. Ook is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in onderdeel 3.2.3 van het Verzamelbesluit Toeslagen. De Commissie acht het daarom gerechtvaardigd dat B/T is overgegaan tot een proportionele toekenning van de KOT aan belanghebbende over het toeslagjaar 2018. Daarmee heeft B/T niet vooringenomen gehandeld.
In haar aanvullende beschouwing stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende voor toeslagjaar 2018 in aanmerking komt voor compensatie op grond van de hardheidsregeling. UHT motiveert haar standpunt als volgt.
De KOT werd in dit jaar deels overgemaakt aan belanghebbende en deels aan de gemeentelijke kredietbank. B/T heeft de KOT verlaagd op basis van de betaalde facturen. Echter, het niet betalen van de openstaande facturen betekent niet dat er geen kinderopvang is geweest. In dit jaar is er sprake van het niet (tijdig) betalen van een deel van de kosten van de kinderopvang. Daarbij blijkt uit de door belanghebbende overgelegde aanvullende bewijsstukken dat zij in juli 2018 in de WSNP zat. Zij kon hierdoor de eigen bijdrage niet betalen. Uit de systemen is niet gebleken dat deze situatie van invloed is geweest op het al dan niet toekennen van een betalingsregeling. Op grond van het vorenstaande komt UHT tot de conclusie dat B/T bij de nieuwe berekening van de KOT te hard is geweest. Daarom komt belanghebbende in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling.
Nu UHT voornemens is – zo begrijpt de Commissie – om aan deze bezwaargrond van belanghebbende tegemoet te komen, ziet de Commissie geen aanleiding anders te adviseren. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om conform de gedane toezeggingen te beslissen op het bezwaar.
Toeslagjaar 2019
In toeslagjaar 2019 is de KOT stopgezet op verzoek van belanghebbende en is het toegekende bedrag als gevolg hiervan aangepast. Het definitieve KOT-bedrag is uiteindelijk weer iets verhoogd gebaseerd op gegevens uit KOI-viewer en een gewijzigd toetsingsinkomen.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering was het gevolg van een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Dit is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om ten aanzien van belanghebbende hierover anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat belanghebbende ook geen aanspraak heeft op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA (gedeeltelijk) te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (twee bezwaarschriften en één hoorzitting).
De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- De beschikking met kenmerk UHT-DCHOA te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter