BAC 2025-15438
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 11 juli 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 1 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2005 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 1 mei 2024 (met kenmerk UHT-DCHOA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2005.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2005.
- UHT heeft bij beschikking van 11 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 1 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2005.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2024 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 1 april 2025 schriftelijk gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2025 het bezwaar nader aangevuld.
- De Commissie heeft op 7 juli 2025 naar aanleiding van verscheidene bevindingen in het ouderdossier, UHT verzocht om een nadere schriftelijke reactie en verscheidene stukken. UHT heeft daar op 8 juli 2025 per e-mail op gereageerd.
- Op 11 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
14 augustus 2025 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Beoordeling afwijzing toeslagjaar 2005
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT het verzoek om compensatie over het toeslagjaar 2005 terecht heeft afgewezen.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van compensatie onterecht is en dat sprake is van vooringenomenheid door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Zij voert daartoe aan dat zij op 4 maart 2005 slechts een wijziging heeft ingezonden om het aantal opvanguren te verhogen van 780 naar 1560. Volgens haar is ten onrechte een bedrag van € 4.074 teruggevorderd.
UHT stelt zich daarentegen op het standpunt dat telefonisch door belanghebbende is doorgegeven dat zowel het aantal opvanguren moest worden verhoogd (van 780 naar 1560) als de opvangperiode moest worden aangepast (van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 naar 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2005). Volgens UHT kan het doorvoeren van die wijziging daarom niet worden gezien als blijk van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.
De Commissie overweegt dat uit de belnotitie blijkt dat de KOT op 4 maart 2005 door of namens belanghebbende is gewijzigd, hetgeen volgens het LIC-overzicht heeft geleid tot een aanvullend voorschot van € 4.074. UHT heeft ter zitting verklaard dat de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikking KOT 2005 ten name van belanghebbende niet meer in de systemen van B/T aanwezig zijn.
Uit de door UHT op vragen van de Commissie nader verstrekte informatie blijkt dat er in de systemen van B/T ook geen nadere informatie voorhanden is omtrent de door belanghebbende gedane wijziging. Voor het nadien door belanghebbende nogmaals wijzigen van opvanggegevens als door UHT naar voren gebracht is geen onderbouwing aanwezig. Bovendien strookt de opvangperiode van 1 januari tot
1 juli 2005 met de omstandigheid dat het kind waarvoor opvang is genoten op
18 juli 2005 de leeftijd van 4 jaar heeft bereikt. Het beperken van de opvang tot de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2005 ligt in dit verband dan ook niet in de rede. Nu onderliggende stukken ontbreken kan de Commissie de rechtmatigheid van de terugvordering van € 4.074 KOT 2005 plus toeslagrente en kosten niet beoordelen. De Commissie kan dan ook niet tot een ander oordeel komen dan dat UHT het ingenomen standpunt omtrent de inhoud van de wijziging(en) niet kan onderbouwen. Dit betekent dat reeds hierom het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden heeft het geven van een advies aan UHT tot het doen van nader onderzoek en het op de juiste wijze motiveren van het besluit geen nut. Omdat de gemachtigde van belanghebbende in haar aanvullende reactie op inzichtelijke wijze het standpunt van belanghebbende heeft onderbouwd (namelijk vijf dagen opvang per week voor 1 kind gedurende een periode van 6 maanden) en de Commissie de onderbouwing en dit standpunt navolgbaar vindt, adviseert de Commissie UHT ervan uit te gaan dat B/T jegens belanghebbende over het toeslagjaar 2005 vooringenomen heeft gehandeld.
Schending van het bepaalde in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht ( hierna: de Awb) en processuele belangen van belanghebbende
Belanghebbende verzoekt om de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, van de Awb, heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie stelt vast dat de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikking met betrekking tot het toeslagjaar 2005 niet meer aanwezig zijn in de systemen van B/T. Deze stukken kunnen, hoewel zij op de zaak betrekking hebben, daardoor niet ter inzage worden gelegd. Daarmee is het bepaalde in artikel 7:4, lid 2, van de Awb geschonden.
De Commissie is echter van opvatting dat belanghebbende door deze schending niet wezenlijk in haar processuele belangen is geschaad, nu – zoals hiervoor reeds overwogen – het bezwaar gegrond is verklaard.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde verzoekt om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, berekend op drie procespunten. Deze punten bestaan uit het verschijnen ter zitting (1 punt), het indienen van het bezwaarschrift (1 punt), het indienen van een schriftelijke zienswijze (0,5 punt) en het opstellen van een repliek/dupliek (0,5 punt), hetgeen volgens haar in totaal drie procespunten oplevert. Voorts verzoekt gemachtigde om toepassing van een wegingsfactor 2 en daarbij aansluiting bij de hoogste vergoeding per procespunt.
De Commissie overweegt dat in de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend aanspraak kan bestaan op de forfaitaire proceskostenvergoeding zoals neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij worden in een bezwaarfase in beginsel slechts twee proceshandelingen onderscheiden: het indienen van een bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting. Voor andere door gemachtigde genoemde proceshandelingen, zoals het indienen van een zienswijze of het opstellen van een repliek/dupliek, voorziet het Besluit proceskosten bestuursrecht niet in afzonderlijke procespunten. De Commissie is derhalve van opvatting dat gemachtigde op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht recht heeft op een forfaitaire vergoeding gebaseerd op 2 procespunten (indienen van het bezwaarschrift en verschijnen ter hoorzitting), met toepassing van een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken acht de Commissie het aangewezen daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen. Voor zover gemachtigde meent dat de werkelijk gemaakte proceskosten de forfaitaire vergoeding overstijgen, wijst de commissie erop dat belanghebbende op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in aanmerking kan komen voor aanvullende compensatie van de werkelijke schade.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT, de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend beantwoordend, om:
- het bezwaar tegen de bestreden beschikking van 1 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen;
- aan belanghebbende een compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen over het toeslagjaar 2005;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter