Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14025

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 juni 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 14 april 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 133.171,- voor de jaren 2005 tot en met 2009 en 2015 tot en met 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2009 en 2015 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 11 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 132.248,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 133.171,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 13 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft zich, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 mei 2025 uitgelaten over de door belanghebbende afgenomen kinderopvang in toeslagjaar 2017. Vervolgens heeft UHT op 9 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft hier op 20 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend. De Commissie zal hieronder het advies toelichten.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende maakt bezwaar tegen de afwijzing van compensatie voor toeslagjaar 2007. In dat jaar heeft de neef van belanghebbende van begin september tot eind december 2007 ingeschreven gestaan op het adres van belanghebbende. Hierdoor geldt, aldus UHT, deze neef als toeslagpartner van belanghebbende en was informatie over zijn (inkomens)situatie voor de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) relevant voor de vaststelling op het recht op KOT van belanghebbende gedurende die periode en de eventuele hoogte hiervan. Omdat B/T ondanks herhaald verzoek geen informatie heeft ontvangen, is uiteindelijk voor dit toeslagjaar nihil beschikt.

UHT heeft compensatie voor dit toeslagjaar afgewezen omdat belanghebbende door B/T herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren en na een pro forma bezwaar meermaals is gevraagd om bezwaargronden aan te leveren. Vanwege deze herhaalde pogingen om belanghebbende te bewegen informatie te verstrekken is geen sprake van vooringenomen handelen. Omdat het geen kleine formele tekortkoming betreft, is ook geen sprake van hardheid, aldus UHT.

In artikel 7 (vanaf 1 augustus 2010: art. 1.7), eerste lid, van de Wet Kinderopvang (hierna: Wko) is bepaald dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk is van de draagkracht en de hoogte van de kosten van kinderopvang.

Artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) luidt:

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.”

Artikel 18 van de Awir luidt:

"1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.”

Uit het voorgaande volgt dat het op verzoek van B/T door belanghebbende gehoor moest worden gegeven. De gevraagde informatie is van doorslaggevend belang voor de vaststelling van het recht van belanghebbende op KOT gedurende de periode dat haar neef bij haar inwoonde en, zo een recht op KOT bestond, de hoogte daarvan.

Uit bestudering van de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat belanghebbende herhaaldelijk om de vereiste informatie is verzocht en daarbij ook is gewezen op de mogelijke nihilstelling bij het uitblijven van een reactie. Na de nihilstelling heeft belanghebbende pro forma bezwaar aangetekend en is zij vervolgens meerdere malen verzocht om bezwaargronden aan te leveren. In de praktijk komt dit er op neer dat belanghebbende ook in bezwaar de nodige informatie omtrent de situatie met haar neef had kunnen overleggen om zodoende haar recht op KOT gedurende die periode in 2007 aan te tonen. Dat belanghebbende dit niet heeft gedaan en B/T uiteindelijk haar bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard, kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen waarvoor belanghebbende gecompenseerd dient te worden. Ook kan het niet verstrekken van de gevraagde informatie niet slechts als een kleine formele tekortkoming worden beschouwd.

In de schriftelijke reactie na de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat toeslagpartnerschap ingaat vanaf de 1e dag van de maand nadat de situatie is veranderd. Uit het informatie-en beoordelingsformulier volgt dat de neef van belanghebbende in de maand januari 2007 bij haar is komen wonen. Het toeslagpartnerschap zou dus pas per 1 februari 2007 zijn ingegaan. Bij de beslissing op bezwaar is UHT voornemens – zo begrijpt de Commissie - om aan belanghebbende compensatie toe te kennen voor de maand januari 2007.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren voor zover het de maand januari 2007 betreft en om conform de toezeggingen in de nadere schriftelijke reactie te beslissen op bezwaar.

Hardheid in 2007

Volgens gemachtigde is in toeslagjaar 2007 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan €1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van tenminste €1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste €1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, toepassing gevend aan deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor toeslagjaar 2007 ter zitting en in de schriftelijke reactie na de hoorzitting nader toegelicht. Voor dit toeslagjaar is aannemelijk geworden dat het bedrag dat te veel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan €1.500,-. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor omschreven door UHT gehanteerde vereisten om voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel in aanmerking te komen.

De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting ook geen aanleiding kunnen vinden om de opvatting te huldigen dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

Toeslagjaar 2017

In de systemen van B/T is voor toeslagjaar 2017 geen KOT aanvraag gevonden. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Op het eerste gezicht voldoet Belanghebbende niet aan dit vereiste en komt daardoor voor deze periode niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking.

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij erop vertrouwde dat haar KOT aanvraag voor toeslagjaar 2017 automatisch zou worden gecontinueerd. UHT voert aan dat met het afwijzen van de aanvraag voor de toeslagenjaren 2015 en 2016, belanghebbende wist of diende te weten dat de aanvraag niet automatisch zou worden gecontinueerd. Hiernaast is voor UHT niet duidelijk of belanghebbende geregistreerde opvang heeft afgenomen in 2017 en of zij een zogeheten doelgroeper was in de zin van de Wko.

De Commissie overweegt dat met het niet toekennen van KOT voor toeslagjaren 2015 en 2016 het voor de hand lag dat hier de aanvraag stopte. Belanghebbende mocht er niet op vertrouwen dat zij op basis van de gegevens die ten grondslag lagen aan de afwijzing voor toeslagjaren 2015 en 2016, in 2017 zonder specifieke actie in de vorm van een aanvraag wel KOT zou ontvangen.

Uit art. 15 lid 1 Awir volgt voorts dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar tot 1 september van het jaar volgend op dat berekeningsjaar kan worden ingediend. Belanghebbende had hiermee tot 31 augustus 2018 de gelegenheid om een KOT aanvraag voor toeslagjaar 2017 in te dienen.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende maakt bezwaar tegen de compensatieberekening en voert aan dat zij recht zou hebben op meer compensatie dan haar tot nog toe is toegewezen.

UHT stelt zich op het standpunt dat het bezwaar op dit punt gegrond is omdat voor de berekening van component o, de gemiste toeslagrente, voor ieder toegewezen toeslagjaar een verkeerde einddatum is gebruikt. Belanghebbende heeft als gevolg hiervan minder gemiste rente gecompenseerd gekregen dan waar zij recht op heeft en UHT geeft aan dit te zullen herstellen in de beslissing op bezwaar.

Het is de Commissie gebleken dat de rentevergoeding over de gemiste KOT voor ieder toegewezen toeslagjaar inderdaad onjuist is vastgesteld. De correcte data en de daarop gebaseerde renteberekeningen zijn door UHT overgelegd bij haar schriftelijke reactie.

De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tevens tot gevolg hebben dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1% dienen te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.

De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren, om aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCH (gedeeltelijk) te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • De beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
  • Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt

Secretaris

Fungerend voorzitter