Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13957

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21-4-2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden

Overdracht advies aan UHT: 11 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij heeft de CvW geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2023, ingekomen op 4 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 7 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 2 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
  • Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
  • Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
  • Dit advies wordt zonder belanghebbende te hebben gehoord uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Vaststaande feiten (voor zover relevant)

  • Op naam van belanghebbende is nooit KOT aangevraagd, noch is er KOT aan belanghebbende toegekend, terwijl bij belanghebbende ook nooit KOT teruggevorderd of verrekend is met andere toeslagen.
  • Aan belanghebbende zijn de op deze zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Daarin zijn geen aanwijzingen te vinden voor de veronderstelling dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.

Toets artikel 2.1. lid 1 Wht

Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie.

Belanghebbende heeft in bezwaar aangegeven dat hij kindertoeslag en kindgebonden budget heeft ontvangen. De Commissie merkt op dat de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden, zoals met de door hem genoemde kindertoeslag en het kindgebonden budget. Dezen vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.

Verder stelt belanghebbende dat hij gebruik gemaakt heeft van kinderopvang voor zijn zoon en dat dit noodzakelijk was vanwege zijn werk, maar dat hij geen stukken meer heeft die deze stelling ondersteunen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende ook geen andere gegevens heeft verstrekt, zoals de naam en het adres van de kinderopvanginstelling waar gecertificeerde kinderopvang is afgenomen. Hierdoor ontbreekt het de Commissie aan aanknopingspunten om nader onderzoek te (laten) doen.

Belanghebbende voert nog aan dat in 2017 zijn auto in beslaggenomen is vanwege schulden die verbandhouden met de KOT. Ten aanzien van het door belanghebbende overgelegde exploot van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn, merkt de Commissie op de bij het exploot behorende specificatie van de aan belanghebbende uitgereikte dwangbevelen ontbreekt. Hierdoor kan de Commissie niet vaststellen dat de beslaglegging verband hield met KOT.

Al met al stelt de Commissie vast dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat hij KOT heeft aangevraagd. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen.

Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.

Bezwaar is kennelijk ongegrond (en daarom is belanghebbende niet gehoord)

De Commissie heeft belanghebbende in kennis gesteld van haar voorlopige conclusie en haar voornemen UHT te adviseren het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren, zonder belanghebbende vooraf te horen. Op grond van artikel 3 lid 2 sub b van de Instellingsregeling van de Commissie en artikel 7:13 lid 4 Awb in samenhang met artikel 7:3 Awb, mag de Commissie afzien van horen als een bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Belanghebbende is nog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken gemotiveerd aan te geven waarom wel gehoord zou moeten worden. Daarbij is ook meegedeeld dat de Commissie advies uitbrengt zonder belanghebbende te horen als deze niet (of niet tijdig) reageert of als een reactie geen nieuwe gezichtspunten oplevert.

Belanghebbende heeft niet (tijdig) gereageerd.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar (kennelijk) ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter