BAC 2023-13918
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 21 februari 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 7 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2005 op basis van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 3 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 83.238 voor de jaren 2009 tot en met 2012 op grond van vooringenomen handelen.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011 en 2012. Vervolgens is dit verzoek uitgebreid met de jaren 2005, 2008 en 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012 beoordeeld en op 9 maart 2023 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005 en 2008.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 29 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 81.000.
- Bij e-mail bericht van 10 mei 2023 is namens gemachtigde naar aanleiding van dit voornemen een zienswijze ingediend.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 83.238 en compensatie geweigerd met betrekking tot de jaren 2005 en 2008
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 juli 2023, ingekomen op 22 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2024 aanvullende bezwaargronden ingediend.
- UHT heeft op 17 september 2024 met een schriftelijke beschouwing gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 21 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De omvang van het geschil
UHT heeft in haar beschouwing van 17 september 2024 uiteengezet dat en waarom belanghebbende voor het jaar 2005 alsnog recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen door B/T. UHT heeft daarbij toegezegd dat belanghebbende de desbetreffende compensatieberekening bij de beslissing op bezwaar zal ontvangen.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar van belanghebbende, voor zover zich dat richt tegen het, aanvankelijk, weigeren van compensatie met betrekking tot het jaar 2005, in lijn met haar toezegging, gegrond te verklaren en de bestreden beschikking van 3 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH te herroepen.
De Commissie kan en zal, gelet op het voorgaande, de bezwaren van belanghebbende voor zo ver die zich richten tegen de weigering compensatie toe te kennen met betrekking tot het jaar 2005, verder buiten bespreking laten.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2006 en 2007 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over die toeslagjaren sprake zou zijn geweest van omstandigheden die aanspraak geven op een compenserende maatregel.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende aanvankelijk alleen zag op de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2005, 2008 en 2009. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte nagelaten heeft de toeslagjaren 2006 en 2007 in de herbeoordeling te betrekken en dat de bestreden beschikking om die reden moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2006 en 2007 (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de in de beschouwing neergelegde en ter zitting herhaalde toezegging van UHT om deze toeslagjaren in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. De Commissie adviseert UHT om ook dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
De Commissie ziet zich, uitgaande van de resterende bezwaren, dus nog gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT compensatie met betrekking tot het jaar 2008 heeft mogen weigeren en of zij de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2008
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ook met betrekking tot het jaar 2008 door B/T vooringenomen is behandeld. De Commissie begrijpt het standpunt van UHT zo dat compensatie voor dat jaar toch is geweigerd met toepassing van het bepaalde in artikel 2.1, lid 2, van de Wht. Ingevolge dat artikellid wordt compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2008 aangezien belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt bestreden.
In de kern samengevat heeft de gemachtigde betoogd dat belanghebbende in 2008 voor haar inkomen afhankelijk was van een gemeentelijke PW-uitkering (Participatiewet), waarbij zij met de gemeente afspraken had gemaakt over het (alsnog) gebruik kunnen maken van een kinderopvanginstelling voor haar zoon. Ook heeft zij zich in willen schrijven voor een opleiding. Het toen lopende faillissement heeft daarbij voor problemen gezorgd, aldus belanghebbende. Uit het LIC-overzicht 2008 blijkt, zo betoogt de gemachtigde, dat B/T in 2008 gedurende 12 termijnen KOT heeft overgemaakt aan een ING/Postbank rekeningnummer dat niet aan belanghebbende toebehoorde, maar waarschijnlijk de boedelrekening van de curator is geweest. Toen de zoon van belanghebbende in mei 2008 vier jaar oud werd en de KDV-opvang gewijzigd zal zijn in BSO lijkt het er op dat deze bevoorschotting niet correct is geweest. UHT heeft vastgehouden aan haar standpunt en gemotiveerd waarom naar haar overtuiging is gebleken van het afnemen van geregistreerde kinderopvang in de relevante periode noch van doelgroeperschap.
De Commissie overweegt dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat belanghebbende in 2008 geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Zo bevat het dossier wel facturen van kinderopvanginstellingen, maar niet met betrekking tot de periode waar het hier om gaat. Verder is niet aannemelijk dat er in de onderhavige periode daadwerkelijk betalingen aan een kinderopvanginstelling zijn gedaan. De Commissie neemt daarbij in ogenschouw dat de gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat de KOT niet door belanghebbende zou zijn ontvangen. Zij sluit echter niet uit dat de KOT op de boedelrekening werd betaald. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel, ligt het echter niet voor de hand dat de curator de kinderopvang ten laste van de boedel zal hebben voortgezet. Het enkele feit dat over 2008 een voorschot is verleend, maakt dat niet anders. In deze omstandigheden mocht UHT er van uitgaan dat in het onderhavige jaar geen opvang heeft plaatsgevonden. Dit overigens los van de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de onderhavige periode doelgroeper was.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2008 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De berekening van het compensatiebedrag; proceskosten
UHT heeft in haar schriftelijke reactie erkend dat de startdatum van de berekening van de immateriële schade onjuist is en dat deze niet op 24 december 2010 maar op 8 februari 2005 moet worden gesteld. Het bezwaar op dit punt is dan ook in zoverre gegrond. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en aan belanghebbende een nieuwe berekening ter hand te stellen. Het voorgaande leidt er toe dat de Commissie UHT zal adviseren de bestreden beschikking in zoverre te herroepen en aan belanghebbende op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan belanghebbende een proceskosten vergoeding toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie, de eerste hiervoor geformuleerde vraag bevestigend en de tweede ontkennend beantwoordend, UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 3 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren; en
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2005;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter