BAC 2023-13912
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 25 juli 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en
UHT-DH5 A
Hoorzitting: 3 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 11 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen twee beschikkingen van 25 juli 2022. Het gaat daarbij om de volgende beschikkingen:
- Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DC-I A;
- Beschikking herbeoordeling KOT met kenmerk UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
- UHT heeft met de beschikking van 3 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 25 juli 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 wegens vooringenomenheid.
- UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 25 juli 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 wegens hardheid van het stelsel.
- Gemachtigde heeft met de twee brieven van 28 juli 2023 tegen de twee beschikkingen van 25 juli 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 juni 2024 schriftelijk op de bezwaarschriften gereageerd.
- Op 3 juni 2025 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 is gekomen. De bestreden beschikkingen zijn daarbij in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikkingen weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van de beschouwing van 10 juni 2024, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) overzichten, SAS-overzichten en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Deze stukken maken ook onderdeel uit van het bezwaardossier. De bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Strijd met artikel 6 EVRM en het beginsel van “equality of arms”
Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van "equality of arms" volgens artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet haar volledige dossier heeft. Ze verzoekt specifiek om de LIC-overzichten, de tijdlijn en het informatie- en beoordelingsformulier.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 3 september 2024 ontvangen. Deze bezwaarprocedure is door de Commissie beoordeeld en er heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het bijzijn van belanghebbende en UHT. Procedureel is er dan ook sprake geweest van gelijkwaardigheid. De bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, wat volgens haar leidt tot hardheid van het stelsel. UHT stelt echter dat B/T bij verrekeningen geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, omdat de KOT niet als inkomensondersteuning wordt beschouwd, maar als bevordering van arbeidsparticipatie.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet volgens artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen valt buiten de reikwijdte van vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen de Wht en daarmee buiten de huidige bezwaarprocedure. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Voorschotbeschikking KOT over toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat de grondslag voor de voorschotbeschikking KOT over toeslagjaar 2008 niet duidelijk is. Door het ontbreken van informatie over de totstandkoming van deze beschikking is verweer niet mogelijk.
De Commissie merkt op dat de Wht gericht is op het vaststellen van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel met betrekking tot de uitvoering van de KOT in het verleden. De voorschotbeschikking van 31 oktober 2008 en de juistheid daarvan vallen buiten de beoordeling van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Vooringenomenheid over de toeslagjaren 2008 en 2009
Belanghebbende meent dat B/T over de toeslagjaren 2008 en 2009 vooringenomen heeft gehandeld. B/T baseerde de KOT op informatie uit de Koi-viewer, die afweek van de eerder door belanghebbende verstrekte gegevens. B/T heeft verzuimd navraag te doen bij belanghebbende en handelde daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. UHT stelt dat de verlaging voor toeslagjaar 2008 gebaseerd is op informatie van de kinderopvanginstelling. Belanghebbende heeft haar opleiding niet afgerond, wat overeenkomt met de Koi-viewer. De vaststelling van de KOT voor toeslagjaar 2009 is in overeenstemming met de door belanghebbende verstrekte informatie. Er is dus geen sprake van vooringenomenheid, aldus UHT.
Toeslagjaar 2008
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat belanghebbende voor haar twee kinderen op 15 oktober 2008 KOT heeft aangevraagd. In aansluiting op deze aanvraag heeft belanghebbende met de voorschotbeschikking van 31 oktober 2008 voor het gehele jaar KOT toegekend gekregen, ter grootte van €13.763. Daarbij is B/T uitgegaan van het volgende:
- Voor [persoon] is er buitenschoolse opvang bij kinderopvanginstelling met een omvang van 112 uren;
- Voor [persoon] is er dagopvang met een omvang van 128 uren.
Op het antwoordformulier van 1 oktober 2009 geeft belanghebbende aan B/T het volgende op:
- [persoon] heeft voor 2008 in totaal 1344 uren aan opvang afgenomen;
- [persoon] heeft voor 2008 in totaal 1812 uren aan opvang afgenomen.
Op 12 november 2009 heeft B/T belanghebbende verzocht om informatie te verstrekken over het BSN-nummer van één kind en de bijbehorende overzichten of rekeningen.
Belanghebbende heeft binnen de termijn het antwoordformulier geretourneerd en het juiste BSN-nummer aan B/T verstrekt.
B/T heeft op 15 december 2010 uit de informatie van de Koi-viewer geconstateerd:
- Voor [persoon] is er over de periode 1 januari 2008 tot en met 30 april 2008 buitenschoolse opvang afgenomen met een omvang van 449 uur, wat overeenkomt met 113 uur per maand;
- Voor [persoon] is er over de periode van 1 januari 2008 tot en met 15 mei 2008 dagopvang afgenomen van 635 uur, wat overeenkomt met 142 uur per maand.
In aansluiting op de informatie uit de Koi-viewer heeft B/T de KOT voor 2008 met de beschikking van 5 maart 2011 definitief neerwaarts bijgesteld van € 13.763 naar € 5.109.
De Commissie moet beoordelen of B/T zich bij de definitieve vaststelling van de KOT mocht baseren op de informatie van de Koi-viewer, terwijl deze afweek van het antwoordformulier over toeslagjaar 2008.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT uit mogen gaan van de informatie die volgt uit de Koi-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken.
De Commissie oordeelt dat belanghebbende niet vooringenomen is behandeld door B/T, omdat de beschikking van 5 maart 2011 rekening hield met de Koi-viewer. Ondanks het verzoek van 12 november 2009 heeft belanghebbende de omvang van de kinderopvang bij [naam] niet onderbouwd met bewijsstukken, maar alleen het juiste BSN-nummer van één kind doorgegeven zonder jaaroverzicht en rekeningen.
De Commissie constateert dat B/T geen andere informatie had die afweek van de Koi-viewer. Belanghebbende heeft geen bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 5 maart 2011, waarin de KOT aanzienlijk werd verlaagd. In deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de Koi-viewer onjuist was.
Daarnaast gaat de Commissie ervan uit dat belanghebbende vanaf 15 mei 2008 zelf de opvang van haar kinderen weer op zich heeft genomen. Op 14 juli 2022 verklaarde belanghebbende telefonisch dat zij in 2007 begon met een opleiding sociale dienstverlening, maar deze niet heeft afgerond. De Commissie concludeert uit deze verklaring en de Koi-viewer dat belanghebbende vanaf 15 mei 2008 niet langer kinderopvang nodig had.
Toeslagjaar 2009
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat de KOT automatisch is gecontinueerd en voor haar twee kinderen met de BSN-nummers 2479.66.381 en 2638.27.896 KOT is toegekend ter hoogte van € 13.669. B/T heeft vervolgens met haar beschikking van 1 mei 2009 de urenomvang verhoogd en voor haar derde kind met BSN-nummer 3499.62.637 ook KOT toegekend. Voor het derde kind wordt voor het gehele jaar KOT op voorschotbasis toegekend op basis van een urenomvang van 227.
Op het antwoordformulier van 10 oktober 2010 geeft belanghebbende het volgende op:
- [persoon] heeft voor 2009 in totaal 2093 uren aan kinderopvang afgenomen.
- [persoon] heeft voor 2009 in totaal 2002 uren aan kinderopvang afgenomen.
Belanghebbende heeft bij het antwoordformulier de wijziging offerte/overeenkomst kinderopvang van [persoon] en de overeenkomst kinderopvang van [persoon] meegestuurd.
Op 29 oktober 2010 heeft B/T aan belanghebbende een herinneringsbrief gestuurd waarin verzocht wordt om de jaaropgave over 2009 voor 12 november 2010 op te sturen.
Op 19 augustus 2011 heeft B/T aan belanghebbende een brief gestuurd waarin verzocht wordt om de ontbrekende opvanggegevens van haar drie kinderen op te sturen, voorzien van de jaaropgaves en maandoverzichten.
B/T heeft op 29 maart 2012 uit de informatie van de Koi-viewer geconstateerd:
- Voor [persoon] is er over de periode van 16 januari tot en met 15 november 2009 dagopvang afgenomen met een omvang van 1820 uur, wat overeenkomt met 182 uur per maand.
- Voor [persoon] is er over de periode van 16 januari tot en met 15 november 2009 dagopvang afgenomen met een omvang van 1744,76 uur, wat overeenkomt met 175 uur per maand.
Op basis van de informatie uit de Koi-viewer heeft B/T de KOT voor 2009 met de beschikking van 4 mei 2012 definitief neerwaarts bijgesteld van € 33.800 naar €16.857. Deze verlaging komt voort uit een lagere omvang van opvanguren en het niet meenemen van de opvang van [persoon].
De Commissie oordeelt dat belanghebbende niet vooringenomen is behandeld door B/T, omdat de beschikking van 4 mei 2012 gebaseerd is op de Koi-viewer. Ondanks informatieverzoeken van 29 oktober 2010 en 19 augustus 2011 heeft belanghebbende de door haar opgegeven omvang van de kinderopvang bij [naam] niet onderbouwd met bewijsstukken zoals jaaropgaves en rekeningen. Omdat belanghebbende geen andere informatie heeft ingebracht die afweek van de Koi-viewer, mocht B/T zich daarop baseren. Belanghebbende heeft geen bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 4 mei 2012, waarin de KOT aanzienlijk werd verlaagd, en heeft in deze bezwaarprocedure niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens uit de Koi-viewer onjuist of onvolledig zijn.
De Commissie concludeert dat B/T over de toeslagjaren 2008 en 2009 mocht uitgaan van de informatie uit de Koi-viewer, omdat er geen contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende is dus niet vooringenomen behandeld. Deze bezwaargronden treffen geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beschikkingen in stand blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter