Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12898

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 maart 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 17 maart 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 28 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 11 maart 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende het betrokken jaar geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 13 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 maart 2023, ingekomen op 17 maart 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij beschikking van 27 september 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende meegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor een bedrag van € 4.167.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 21 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar behandeld en dit advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het toeslagjaar 2011 af te wijzen.

Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het onderzoek tijdens de integrale beoordeling onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat enkel een herbeoordeling is uitgevoerd over het toeslagjaar 2011 en niet over de andere toeslagjaren waarin KOT is aangevraagd.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaar 2011. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten andere toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen.
Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de overige toeslagjaren in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de gedane toezegging van UHT om de overige toeslagjaren alsnog voor te leggen aan de persoonlijk zaakbehandelaar om deze in de vorm van een aanvullend verzoek met spoed in herbeoordeling te nemen.
Ter zitting is meegedeeld dat dit verzoek inmiddels in behandeling is genomen. Deze werkwijze brengt, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich mee. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft gehandeld, omdat B/T destijds niet heeft toegelicht wat de daadwerkelijke reden was van de terugvordering over dit jaar. Hierdoor heeft belanghebbende niet kunnen aantonen dat de terugvordering onterecht was en zij wel in aanmerking kwam voor het gehele voorschotbedrag van de KOT. UHT stelt dat de verlagingen van de KOT in dit jaar reguliere wijzigingen zijn en dat geen sprake is van vooringenomen handelen door B/T of hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. UHT heeft gesteld dat de terugvordering KOT over toeslagjaar 2011 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De KOT in 2011 is verlaagd door een stijging van het toetsingsinkomen en een verlaging van het aantal rekenuren. Bij de definitieve beschikking is de KOT nogmaals verlaagd op basis van het antwoordformulier en de jaaropgaven die belanghebbende heeft opgestuurd. Uit deze gegevens volgt, aldus UHT, dat belanghebbende voor drie van haar kinderen alleen voor de maanden juli tot en met december 2011 kinderopvang heeft afgenomen, terwijl voor het gehele toeslagjaar KOT was toegekend. B/T had geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens en mocht daarom hierop vertrouwen. Nadat belanghebbende destijds in bezwaar was gegaan tegen de definitieve beschikking van de KOT is zij door B/T in de gelegenheid gesteld haar recht op KOT aan te tonen door bewijsstukken over te leggen waaruit zou blijken dat zij de volledige kinderopvangkosten had voldaan. Uit de in bezwaar overgelegde bankafschriften volgt dat en deel van de kinderopvangkosten is voldaan.
Niet is aannemelijk geworden dat meer betalingen zijn gedaan. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden op grond waarvan zij kan oordelen dat het aannemelijk is dat belanghebbende recht had op meer KOT dan aan haar is toegekend. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoet-koming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om ten aanzien van belanghebbende hierover anders te oordelen en constateert dat de bij de wettelijke regeling van de KOT behorende rechtsbescherming benut is. Er is wel sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS over het toeslagjaar 2011, waarvoor aan belanghebbende een tegemoetkoming is toegekend. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Schending art. 6 EVRM
Belanghebbende voert aan dat het volledige hersteldossier niet is verstrekt en dat UHT daardoor in strijd heeft gehandeld met het beginsel van "equality of arms" in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de onderliggende stukken zijn op 22 januari 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat betekent dat in deze zaak moet worden geconcludeerd dat het verstrekte bezwaardossier volledig is. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het hersteldossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Overigens is het wel zo, dat als uit na deze zaak bekend geworden stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan de bestreden beschikking in het voordeel van belanghebbende moet worden gewijzigd, UHT dat ook moet doen. Dit brengt mee dat het beroep op het beginsel van "equality of arms" niet opgaat, omdat belanghebbende alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overweegt de Commissie het volgende.

Bij uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) heeft de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Per de datum van die uitspraak is deze termijn uniform bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen als die voor het hoger beroep een termijn van twee jaar. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500 aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar.

De grondslag voor de betaling van immateriële schadevergoeding van € 500 per jaar wordt gevormd door artikel 6 EVRM dat verdragsconform moet worden uitgelegd. Die norm geldt in beginsel alleen bij een procedure voor de rechter.
De procedure bij de Commissie is een onderdeel van afdoening in de bezwaarfase bij het bestuur en geen rechter. Daarom is die vergoeding hier niet aan de orde.

De Commissie ziet daarom thans geen aanknopingspunten te oordelen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad vanwege een schending van artikel 6 EVRM. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en:

  • de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter