Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12858

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 maart 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 17 februari 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 17 maart 2023 genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHT-DCH ZV).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 112.802,- (inclusief de al toegekende Catshuisregeling van € 30.000, -) voor de jaren 2006 tot en met 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2010. Het informatie- en beoordelingsformulier vermeldt dat het oorspronkelijke beoordelingsverzoek in overleg met belanghebbende is gewijzigd tot de jaren 2006 tot en met 2012 en 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 (met kenmerk: UHT-B DMB2) aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, -.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de maanden januari tot en met mei 2007 en de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 en het toeslagjaar 2017. Voor het toeslagjaar 2009 is de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet van toepassing. Uit de beoordeling maakt de Commissie op dat ook bedoeld is de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht voor het toeslagjaar 2006, de maanden juni tot en met december 2007 en het toeslagjaar 2008 van toepassing te achten.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 112.802, - (waarvan het al betaalde bedrag van de Catshuisregeling van € 30.000, - is afgetrokken).
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 april 2023, ingekomen op 25 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 25 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 24 januari 2025 een aantal aanvullende bezwaargronden naar voren gebracht.
  • UHT heeft bij e-mailbericht van 28 januari 2025 op deze aanvullende bezwaargronden gereageerd.
  • Op 17 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft op 27 februari 2025 een aantal aanvullende stukken toegezonden.
  • UHT heeft op 6 maart 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering van het besluit / 'equality of arms'
Belanghebbende voert aan dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onderbouwd. Belanghebbende kan - zonder over onderliggende stukken waaronder het persoonlijk dossier te beschikken - niet controleren of zij inderdaad slechts aanspraak heeft op € 112.802, - aan compensatie.

In de beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV is aan de hand van een compensatieberekening en een uitgebreide toelichting per toeslagjaar toegelicht hoe is gekomen tot het compensatiebedrag van € 112.802, - over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009. In aanvulling hierop heeft UHT het bestreden besluit door middel van het indienen van een beschouwing, en een uitgebreide uitleg met behulp van onder meer het Informatie- en beoordelingsformulier, de beoordeling van de Commissie van Wijzen en de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: het LIC), nader gemotiveerd. In de bij de beschouwing opgenomen Bijlage compensatieberekening heeft UHT de compensatieberekening nogmaals berekend. Eventuele motiveringsgebreken zijn hiermee hersteld. Het bestreden besluit is volgens de Commissie al met al voldoende gemotiveerd, zodat zij adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 29 oktober 2024 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Gelet hierop heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten uit de Awb. Zij adviseert daarom tot ongegrondverklaring van dit onderdeel van het bezwaar.

Toeslagjaar 2005
Belanghebbende constateert dat UHT het toeslagjaar 2005 niet heeft beoordeeld. Belanghebbende verzoekt UHT het toeslagjaar 2005 alsnog te (laten) beoordelen.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2007 tot en met 2010. Het informatie- en beoordelingsformulier vermeldt dat het oorspronkelijke beoordelingsverzoek in overleg met belanghebbende is uitgebreid met de toeslagjaren 2006 tot en met 2012 en 2017. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2005 nu in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken.

De Commissie heeft goede nota genomen van de voorafgaand aan de hoorzitting gedane toezegging van UHT om het toeslagjaar 2005, vanwege het feit dat er in dit jaar inderdaad opvang is geweest en KOT is toegekend, als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat zij in het toeslagjaar 2010 tot de zomervakantie opvang heeft afgenomen en niet slechts tot en met april 2010. UHT stelt dat dit standpunt geen steun vindt in het bezwaardossier.

De Commissie stelt vast dat uit het in het Informatie- en beoordelingsformulier opgenomen verhaal van belanghebbende blijkt dat zij tot 30 april 2010 gebruik heeft gemaakt van opvang bij KDV X. Deze informatie wordt bovendien bevestigd in een door UHT bij de aanvullende beschouwing gevoegde fax van de kinderopvanginstelling van 3 juni 2011. Belanghebbende zelf heeft geen aanvullende informatie overgelegd. De Commissie is van opvatting dat UHT zich mag baseren op de haar ter beschikking staande informatie.

De Commissie overweegt daarbij dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt feitelijk om een aanpassing van de opvangperiode van de KOT over het toeslagjaar 2010, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De neerwaartse correcties voor dit toeslag-jaar betreffen daarnaast reguliere bijstellingen conform van belanghebbende ontvangen stukken en wijzigingen (waaronder de verklaring van de kinder-opvanginstelling). Van vooringenomen handelen of hardheid is daarom geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017
Belanghebbende stelt in 2017 een doelgroeper te zijn geweest, omdat zij werkte als vrijwilliger in de zorg. Gemachtigde heeft hiertoe twee verklaringen overgelegd en verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:14182. UHT stelt dat de door belanghebbende toegezonden verklaringen en de genoemde uitspraak onvoldoende aanleiding bieden om het door UHT ingenomen standpunt over het doelgroeperschap te herzien.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. De Commissie constateert dat uit de door UHT beschreven situatie blijkt dat tweemaal door belanghebbende aangevraagde KOT door B/T is afgewezen. De Commissie stelt vast dat UHT bij de afwijzing van de tweede aanvraag, vooringenomen handelen door B/T heeft aangenomen. Hoewel B/T twee uitvraagbrieven naar belanghebbende heeft verstuurd, verklaart belanghebbende dat zij deze niet heeft ontvangen. De Commissie ziet geen aanleiding dit standpunt van UHT in twijfel te trekken.

Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1, lid 2, van de Wht, echter achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2017, nu belanghebbende in dat jaar niet heeft gewerkt en/of een doelgroeper was. Belanghebbende heeft de juistheid daarvan onder verwijzing naar rechtspraak en een aantal verklaringen betwist. De Commissie concludeert dat een ouder op grond van artikel 1.6 lid 1 sub a van de Wet kinderopvang aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, als de ouder betaald werk verricht.
Uit de overgelegde verklaringen blijkt echter dat belanghebbende onbetaald vrijwilligerswerk heeft gedaan (zonder betrokkenheid van de gemeente), zodat dit artikel niet op belanghebbende van toepassing is. De door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie leidt naar het oordeel van de Commissie niet tot een wijziging van dat standpunt. Belanghebbende komt voor het jaar 2017 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagpartner
Belanghebbende heeft zich afgevraagd waarom [partner] niet als toeslagpartner is aangemerkt. UHT stelt zich op het standpunt dat niet duidelijk is op welke manier dit van betekenis kan zijn in deze bezwaarprocedure. Daarnaast volgt uit de stukken volgens UHT niet dat sprake is (geweest) van een toeslagpartnerschap.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt te beoordelen of er ten tijde van de vaststelling van de hoogte van de KOT ten onrechte geen rekening is gehouden met een toeslagpartnerschap. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Het recht op toeslag wordt niet opnieuw vastgesteld. Wel moet het recht op een herstelregeling worden vastgesteld, waarop een eventueel toeslagpartnerschap onder omstandigheden van invloed kan zijn. Nu de Commissie op grond van de aangeleverde informatie geen aanknopingspunten heeft om vast te stellen dat sprake is geweest van een later gebleken toeslagpartnerschap, doet zich deze situatie naar het oordeel van de Commissie niet voor. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
Tussen belanghebbende en UHT is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV een forfaitair compensatiebedrag van € 112.802, - toegekend aan de hand van een compensatieberekening. Belanghebbende heeft deze op verschillende punten bestreden. De Commissie beoordeelt de compensatieberekening als volgt.

Betaalde toeslagrente (component d)
Ingevolge artikel 2.3, eerste lid Wht bestaat de compensatie uit een bedrag aan bij belanghebbende in rekening gebrachte toeslagrente. UHT stelt dat uit de SAS-overzichten volgt dat belanghebbende geen rente over deze jaren heeft betaald. Wel heeft belanghebbende invorderingskosten en -rente betaald. Deze kosten en rente blijken uit de overzichten van het LIC en worden gecompenseerd onder component i, zij vallen niet onder component d.

De Commissie komt op basis van de producties waarnaar door UHT wordt verwezen eveneens tot de conclusie dat de compensatie onder component d door UHT terecht op nihil is gesteld. De Commissie adviseert voor wat betreft deze component tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Verschil met de laatst vastgestelde beschikking kinderopvangtoeslag (component f) Belanghebbende heeft een toelichting gevraagd op de berekening van component f over het toeslagjaar 2006. Op grond van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, Wht mag UHT het bedrag aan alsnog toegekende kinderopvangtoeslag in mindering brengen op uw totale compensatie. Het bedrag dat UHT in mindering brengt mag volgens dit artikel niet hoger zijn dan het bedrag dat bij belang-hebbende is teruggevorderd, te weten het bedrag onder component e.
De Commissie heeft geen reden de door UHT op dit punt gegeven toelichting en berekening inhoudelijk te betwijfelen. De Commissie volgt UHT daarom in het standpunt dat het bedrag juist is vastgesteld.

De vergoeding voor immateriële schade (component n)

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. Het bedrag is nooit hoger dan het bedrag onder e.

De Commissie constateert dat UHT met het aanhouden van de datum waarop de eerste neerwaartse beschikking is aangemaakt (18 juli 2006) de juiste aanvangsdatum voor de vergoeding van immateriële schade heeft aangehouden. Ook heeft UHT volgens de Commissie een juiste einddatum gehanteerd (23 maart 2023). Daarmee is het berekende bedrag aan vergoeding voor immateriële schade van 201 maanden (34 halve jaren) x € 500,-, in totaal € 17.000, - juist berekend. In zoverre adviseert de Commissie tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

De Commissie overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend. Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt.

Het bezwaar is deels gegrond (zie hierna, onderdeel o). In een dergelijke situatie hanteert UHT als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade het moment van de beslissing op bezwaar. De Commissie ziet daarom aanleiding UHT te adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot het moment van de beslissing op bezwaar.

Rentevergoeding over de gemiste KOT (component o)
Ingevolge artikel 2.2 onderdeel g Wht bestaat de compensatie mede uit een rentevergoeding bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag. De rentevergoeding wordt berekend over de periode tot de datum van de definitieve compensatiebeschikking (artikel 2.3 lid 7 Wht in samenhang met artikel 27 lid 2 Awir). UHT heeft in haar schriftelijke reactie erkend dat bij de bestreden beschikking de wettelijke regeling niet is gevolgd. Er is uitgegaan van een verkeerde renteperiode. Hierdoor is over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 een te lage rentevergoeding gemiste KOT aan belanghebbende toegekend. De Commissie adviseert UHT de rente opnieuw te berekenen met inachtneming van de juiste start- (1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar) en einddatum (17 maart 2023) van de renteperiode. De Commissie adviseert op dit punt tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Aanvullende bedrag van 1 % van het subtotaal (component p)
Nu er aanleiding bestaat de compensatieberekening aan te passen, leidt dit ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1 % van het subtotaal eveneens dient te worden aangepast. De Commissie adviseert UHT dit in de compensatieberekening mee te nemen.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar opvatting van de Commissie deels gegrond is en het advies is om de primaire beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV deels gegrond te verklaren en deze beschikking deels te herroepen;
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3 lid 4 slotzin Wht;
  • de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag te berekenen met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
  • de overige bezwaargronden ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter