Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13791

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 maart 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 1 mei 2025 om 14:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.644 over de periodes maart tot en met september 2015 en februari tot en met augustus 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 januari 2023 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over het toeslagjaar 2014, de maanden januari, februari en oktober tot en met december 2015 en de maanden januari en september tot en met december 2016 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 1 februari 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €32.569.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.644 wegens vooringenomenheid over de periodes maart tot en met september 2015 en februari tot en met augustus 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 juni 2023, ingekomen op 9 juni 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 26 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 1 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Verzoek om persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat hij de onderliggende stukken niet ontvangen heeft en hierdoor geen inhoudelijke bezwaren kan indienden. Belanghebbende verzoekt hierom om het persoonlijk dossier.

UHT stelt dat zij het verzoek om het persoonlijk dossier op 3 september 2024 heeft neergelegd bij de relevante afdeling, maar dat het opstellen van het dossier meer tijd kost dan het bezwaardossier. Verder is UHT van mening dat het bezwaardossier, aangevuld met producties op 7 mei 2025, met de beschouwing alle op de zaak betrekking hebbende stukken bevat.

De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 19 december 2014 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

FSV-lijst en O/GS-kwalificatie

Belanghebbende heeft verzocht om de stukken waaruit blijkt of zij is opgenomen op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) en of sprake was van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). UHT is desgevraagd na de zitting ingegaan op de vermelding van belanghebbende in de FSV-lijst en heeft geconcludeerd dat de persoonsgegevens van belanghebbende niet opgenomen waren in deze lijst. UHT heeft ook toegelicht dat belanghebbende geen O/GS-kwalificatie heeft gehad.

Belanghebbende stelt dat de stukken die UHT heeft ingediend onvoldoende bewijzen dat belanghebbende niet op de FSV-lijst stond opgenomen en dat belanghebbende geen onterechte kwalificatie O/GS heeft gehad.

De Commissie constateert dat, bij gebrek aan in een andere richting wijzende gegevens, geconcludeerd mag worden dat geen sprake was van opname van belanghebbende op de FSV-lijst of een onterechte kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert hierom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie overige toeslagjaren

Belanghebbende stelt dat zij ook over andere jaren gedupeerd is, omdat de periodes waarover onterecht KOT is teruggevorderd hebben geleid tot gevolgen in de jaren daarvoor en daarna.

UHT stelt dat uit de systemen niet blijkt dat over andere toeslagjaren dan de jaren 2014 tot en met 2016 aanvragen voor KOT zijn ingediend door belanghebbende. Hierdoor bestaat volgens UHT geen recht op compensatie over andere toeslagjaren en kan niet geconcludeerd worden dat sprake is geweest van vooringenomenheid, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld.

De Commissie maakt uit het dossier op dat er geen aanvragen KOT zijn ingediend door belanghebbende buiten de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende stelt dat over toeslagjaar 2014 sprake is geweest van vooringenomenheid, omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) onvoldoende uitvraag heeft gedaan over het recht op KOT en de ontvangen uitkeringen van belanghebbende en haar toeslagpartner. Daarnaast stelt belanghebbende dat het recht op KOT te laag is vastgesteld, nu de totale kosten van de kinderopvang volgens de KOI-viewer € 12.627,97 bedragen en belanghebbende een definitieve KOT over toeslagjaar 2014 heeft ontvangen van €2.112.

De Commissie overweegt dat de neerwaartse bijstelling van 10 juni 2016 voortkwam uit informatie die belanghebbende door middel van een antwoordformulier van 23 juni 2015 zelf heeft ingediend. Hierin heeft belanghebbende zelf aangegeven dat haar toeslagpartner over delen van toeslagjaar 2014 niet tot de doelgroep van de KOT behoort. Daarnaast heeft B/T informatie over de gewerkte uren van de toeslagpartner ontvangen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV). De Commissie komt tot de conclusie dat over het toeslagjaar 2014 geen sprake is van vooringenomenheid, nu de neerwaartse bijstelling het gevolg was van informatie over het behoren tot de doelgroep van de toeslagpartner die belanghebbende zelf heeft aangeleverd en informatie over de gewerkte uren van de toeslagpartner. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

Belanghebbende stelt dat over toeslagjaar 2015 een te laag bedrag is opgenomen onder component a in de compensatieberekening. Belanghebbende stelt daarbij dat uit de KOI-viewer blijkt dat een andere kinderopvang gegevens heeft ingevuld dan de kinderopvang die vermeld staat in het informatie- en beoordelingsformulier. Volgens belanghebbende leidt dit tot de conclusie dat niet alle opvanginstellingen de uren hebben ingevuld en dat het bedrag onder component a over toeslagjaar 2015 niet juist kan zijn.

De Commissie overweegt dat B/T op 28 oktober 2015 bericht heeft ontvangen dat een van de kinderen naar het voortgezet onderwijs ging en voor dat kind geen recht op kinderopvang meer bestond. Hieruit komt de eerste neerwaartse bijstelling van € 19.567 naar € 17.048 op 21 november 2015 voort. Naar het oordeel van de Commissie was bij deze eerste neerwaartse bijstelling geen sprake van vooringenomen handelen. Daarnaast volgt uit de KOI-viewer dat belanghebbende over de maanden januari, februari en oktober tot en met december 2015 geen opvang heeft afgenomen. Over deze maanden bestaat dan ook geen recht op compensatie. Naar het oordeel van de Commissie mocht B/T destijds uitgaan van de gegevens die de kinderopvang heeft ingevoerd in de KOI-viewer en heeft UHT het juiste bedrag opgenomen onder component a voor toeslagjaar 2015. UHT heeft belanghebbende over de juiste periodes gecompenseerd De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016

Belanghebbende is van mening dat over toeslagjaar 2016 een te laag bedrag is opgenomen onder component a in de compensatieberekening. Belanghebbende merkt ook hier op dat dat een andere kinderopvang gegevens heeft ingevuld dan de kinderopvang die vermeld staat in het informatie- en beoordelingsformulier.

De Commissie overweegt dat uit de KOI-viewer volgt dat belanghebbende in de maanden januari en september tot en met december 2016 geen opvang heeft genoten en er om die reden geen recht op compensatie bestaat over deze maanden. Naar het oordeel van de Commissie mocht B/T destijds uitgaan van de gegevens die de kinderopvang heeft ingevoerd in de KOI-viewer en heeft UHT het juiste bedrag opgenomen onder component a voor toeslagjaar 2016. UHT heeft belanghebbende over de juiste periodes gecompenseerd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt verder ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende stelt dat de compensatieberekening incorrect tot stand is gekomen en stelt specifiek dat de vergoeding voor immateriële schade onjuist tot stand is gekomen.

UHT stelt dat de compensatieberekening op de juiste wijze is berekend en dat de componenten correct tot stand zijn gekomen. UHT verwijst naar de bijlage bij de beschouwing. UHT heeft toegelicht dat de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade onjuist is, maar in het voordeel van belanghebbende is vastgesteld.

Daarnaast is de rentevergoeding over gemiste KOT onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende berekend. UHT is voornemens deze componenten in stand te laten. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT voldoende onderbouwd met verwijzingen naar producties in het dossier dat de componenten van de compensatieberekening juist zijn vastgesteld en terecht opgemerkt dat de vergoeding voor immateriële schade en de rentevergoeding over gemiste KOT niet in het nadeel van belanghebbende dienen te worden gewijzigd.

Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schade merkt de Commissie verder het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. Deze bezwaarprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor bestaat een procedure waarbij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een adviserende rol vervult. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Overig bezwaar

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door gemachtigde gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCH af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter