BAC 2023-12826
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 februari 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 9 mei 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen. De Commissie adviseert tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 64.836 voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 op grond van hardheid en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op het toeslagjaar 2009. Ook is volgens het voorlopig oordeel van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de compensatieregeling wel van toepassing voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend van € 64.836 voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 op grond van hardheid. Voor het toeslagjaar 2009 heeft UHT geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 maart 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 december 2024 schriftelijk gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld.
- Gemachtigde heeft per e-mail van 9 mei 2025 medegedeeld dat het bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op het toeslagjaar 2009, wordt ingetrokken. Tevens is een geactualiseerde versie van het aanvullend bezwaarschrift toegezonden.
- Op 9 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 13 maart 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling compensatie toeslagjaren 2010 tot en met 2012
De Commissie ziet zich, uitgaande van de resterende gronden van bezwaar, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 op de juiste wijze heeft berekend.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2010 tot en met 2012
Toeslagjaar 2010
Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 heeft UHT in haar schriftelijke beschouwing aangegeven dat belanghebbende bij nader inzien niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid. De terugvordering in dat jaar bedroeg namelijk €1.374 en ligt daarmee onder de grens van het bedrag van € 1.500, zoals opgenomen in artikel 2.1, lid 4, van de Wht. Niettemin heeft UHT besloten de reeds toegekende compensatie in stand te laten, vanwege het verbod op reformatio in peius. De Commissie adviseert UHT deze toezegging in de beslissing op bezwaar gestand te doen.
Toeslagjaren 2011 en 2012
Voorts heeft UHT in haar schriftelijke beschouwing van 7 mei 2024 aangegeven dat de rentevergoeding over de gemiste KOT (onderdeel o) over het toeslagjaar 2011 te laag, en over het toeslagjaar 2012 te hoog is vastgesteld. UHT zal uitsluitend het bedrag over 2011 corrigeren, nu dit ten nadele van belanghebbende lager was vastgesteld. De Commissie adviseert UHT uitvoering te geven aan deze toezegging.
De Commissie acht met UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond. UHT zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolgde de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Kosten voor juridische hulp
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor juridische bijstand in verband met de brief van 16 oktober 2015 (productie 4, pagina 21).
De Commissie overweegt daarover als volgt. Ingevolge artikel 2.3, lid 6, van de Wht bestaat, voor zover thans van belang, recht op een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht. De Commissie stelt vast dat de brief van 16 oktober 2015 echter niet is gericht tegen een zodanige beschikking, maar slechts een verzoek om verrekening behelst. Aangezien aldus niet is voldaan aan het vereiste om op dit punt voor compensatie in aanmerking te kunnen komen, bestaat geen aanspraak op een vergoeding voor juridische hulp op grond van artikel 2.3, lid 6, van de Wht. De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Startdatum vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende voert aan dat de vergoeding voor immateriële schade dient aan te vangen op 25 februari 2010, de datum waarop volgens haar de eerste onterechte neerwaartse correctie is doorgevoerd.
UHT stelt daarentegen dat bij de vergoeding voor immateriële schade een onjuiste (te vroege) startdatum is gehanteerd. Aangezien deze datum in het voordeel van belanghebbende uitvalt, heeft UHT besloten deze te handhaven.
De Commissie stelt vast dat de neerwaartse correctie bij voorschotbeschikking van 25 februari 2010 het gevolg was van de telefonische stopzetting van de KOT op
10 februari 2010, gedaan door of namens belanghebbende (productie 70). In dat licht bezien kan de Commissie zich verenigen met het standpunt van UHT om de desbetreffende startdatum te handhaven. De Commissie adviseert UHT derhalve op het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Meerdere herstelregelingen in één toeslagjaar
Belanghebbende stelt dat zij voor de toeslagjaren waarin reeds compensatie op grond van hardheid is toegekend, eveneens in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. Zij verwijst daarbij naar passage 2.2.5 van het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek, dat UHT in haar uitvoeringspraktijk tot leidraad neemt.
De Commissie overweegt als volgt. Op grond van artikel 2.6, lid 4, van de Wht blijft een O/GS-tegemoetkoming achterwege als ten aanzien van dezelfde terugvordering al recht bestaat op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid. In het geval van belanghebbende zijn de terugvorderingen over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 volledig gecompenseerd op grond van hardheid. Omdat daarmee reeds een volledige compensatie heeft plaatsgevonden, is er geen ruimte voor een tegemoetkoming op grond van O/GS. De passage 2.2.5 van het UHT-handboek - waar belanghebbende naar verwijst - leidt niet tot een ander oordeel. Deze passage bevestigt weliswaar dat meerdere herstelregelingen in één toeslagjaar kunnen worden toegepast, maar slechts voor zover deze betrekking hebben op afzonderlijke grondslagen of aanvullende schadecomponenten die nog niet zijn gecompenseerd. In dit geval is reeds sprake van een volledige vergoeding op basis van hardheid, waardoor toepassing van een aanvullende regeling op dezelfde terugvordering niet aan de orde is. Het bezwaar kan derhalve niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerken UHT-DCH niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Voor aanvullende schadevergoeding naar de Commissie Werkelijke Schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft slechts betrekking op de toekenning van een standaardvergoeding en niet op de vergoeding van werkelijke schade. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden, dan kan zij daarvoor bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek indienen om vergoeding te vragen van aanvullende werkelijke schade zoals omschreven in artikel 2.1, lid 3, van de Wht.
Proceskostenvergoeding
De Commissie beantwoordt de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend en is van mening dat het bezwaar gedeeltelijk gegrond is. Dit leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH, zodat de Commissie adviseert de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren; en om
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter