BAC 2023-13779
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: In deze zaak heeft op 22 augustus 2025 de hoorzitting plaatsgevonden
Overdracht advies aan UHT: 21 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
- Belanghebbende heeft bij brief van 5 juni 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 9 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
- Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
- Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn gereageerd. De Commissie heeft in deze reactie reden gezien om terug te komen van haar voorlopige beslissing om geen hoorzitting te houden.
- Op 22 augustus 2025 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.
- Op 4 september 2025 heeft UHT een op 22 augustus 2025 gedateerde nadere beschouwing aan belanghebbende en de Commissie gestuurd, waarop belanghebbende niet meer heeft gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie heeft vastgesteld dat UHT aan belanghebbende de volgens UHT op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt welke zich thans in het ouderdossier bevinden. Daarmee is in beginsel voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting van het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en heeft na de hoorzitting een aanvullende beschouwing aan de Commissie en belanghebbende ingezonden. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.
Toets artikel 2.1. lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de diverse wetten heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.
De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T), niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij de B/T. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT. Belanghebbende heeft daar tegenovergesteld dat zij ongeveer 3.000 euro aan KOT is misgelopen en dat zij zeker weet dat zij KOT heeft aangevraagd.
Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld tegenover de concrete stellingen van UHT. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.
Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie merkt op de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij heeft gevraagd of zij in aanmerking zou komen voor KOT en dat haar telefonisch ten onrechte is gemeld dat zij daar niet voor in aanmerking kwam. De Commissie ziet geen reden om aan deze mededeling te twijfelen. Het is als onzorgvuldig aan te merken wanneer van de zijde van B/T een dergelijke mededeling is gedaan. Daarmee is echter nog niet de drempel gehaald om tot het oordeel te kunnen komen dat er in het geval van belanghebbende sprake is van vooringenomenheid of van hardheid bij de toepassing van het stelsel.
Omdat de Commissie het wel aannemelijk acht dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen, heeft zij UHT gevraagd uit te zoeken of een herzieningsverzoek mogelijk is in die zin dat dit ertoe leidt dat belanghebbende achteraf alsnog KOT krijgt toegekend.
Desgevraagd heeft UHT hierop bij haar nadere beschouwing geantwoord dat dit alleen mogelijk is als sprake is van een foutieve vaststelling van de KOT dan wel bij een grove schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van het eerste is volgens haar geen sprake omdat er in de systemen van de B/T in het geheel geen aanvraag voor KOT te vinden is, terwijl van het tweede ook geen sprake is nu daarvoor geen aanknopingspunten te vinden zijn in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op deze stellingen gereageerd. De Commissie ziet geen grond om UHT hierin niet te volgen. Dit leidt tot het hierna vermelde advies.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren. Nu de Commissie het bezwaar ongegrond verklaart blijft een vergoeding van eventueel gemaakte proceskosten achterwege.
Secretaris
Fungerend voorzitter