Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13764

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 14 november 2024 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij beschikking van 13 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 (Catshuisregeling).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2008 en 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 juli 2023, ingekomen op 18 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 november 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 18 november 2024 een aanvullende beschouwing met bijbehorende stukken toegestuurd. Gemachtigde heeft vervolgens op 3 januari 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingezonden. Daarop heeft UHT op 13 februari 2025 gereageerd door middel van een definitieve beschouwing. Tenslotte heeft gemachtigde op 25 maart 2025 op deze aanvullende beschouwing gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Afschrift van het persoonlijk dossier

Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen de bestreden beschikking. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van deze beschikking zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan adviseren. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Motiveringen van de beschikking ten aanzien van de toeslagjaren 2008 en 2009.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit bij het uitbrengen van de beschikking voldoende heeft toegelicht en dat zij het besluit door middel van de ter beschikking stelling van het bezwaardossier en het indienen van een schriftelijke reactie op het bezwaarschrift voldoende heeft onderbouwd. Het bezwaardossier biedt belanghebbende een goed beeld van de ontwikkeling van zijn dossier in de toeslagjaren waarop het bestreden besluit ziet, het onderzoek dat UHT heeft verricht en de wijze waarop zij tot een besluit is gekomen. Naar aanleiding van het aanvullend bezwaarschrift heeft UHT het RKT-overzicht nader toegelicht en uitgelegd dat haar besluit is gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer die door belanghebbende is aangeleverd. Ook heeft UHT toegelicht dat de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) in de betrokken jaren op de juiste wijze was geregistreerd en er dan ook geen sprake is van afwijzing van compensatie vanwege evident geen recht op KOT in de toeslagjaren 2008 en 2009. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen mogelijkheid gegeven voor het indienen van een zienswijze

Belanghebbende heeft van UHT geen vooraankondiging van het door UHT te nemen primaire besluit ontvangen, waardoor hij destijds niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om zijn bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.

Werkelijke schade

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen, zoals die in de Wht zijn vastgelegd. Deze bezwaarschriftprocedure heeft daarom alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Van belang hierbij is dat de Wht, naast het systeem van forfaitaire vergoedingen, voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij CWS. De vaststelling van werkelijk geleden schade betreft een zelfstandige procedure. Tegen die achtergrond wordt in het kader van de onderhavige integrale beoordeling geen advies bij CWS ingewonnen. De zinsnede in het advies van het UHT dienaangaande, waarnaar ook tijdens de hoorzitting werd verwezen, betreft een verschrijving.

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT

Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op eventuele omissies in (de gegevensverstrekking ter zake van) de aanvraag of de vaststelling van KOT. Belanghebbende verzoekt in feite mede om een aanpassing van de hoogte van de KOT zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. UHT heeft niet de bevoegdheid om tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT over te gaan; UHT dient zich te beperken tot de in de Wht gestelde kaders. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst, O/GS en discriminatie

Belanghebbende stelt dat de conclusie dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest en dat er geen sprake is geweest van discriminatie niet, dan wel onvoldoende, is onderbouwd met stukken.

FSV-lijst

De Commissie merkt op dat UHT heeft aangegeven dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een afgesloten systeem dat niet meer wordt gebruikt en uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat de registratie in de FSV op zichzelf geen reden geeft voor compensatie op grond van de Wht. Tegen die achtergrond behoeft het bezwaar op dit punt geen verdere bespreking.

O/GS

In de definitieve beschouwing heeft UHT, onder verwijzing naar het SAS-overzicht, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. Tevens zijn geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat in de toeslagjaren 2008 en 2009 een persoonlijke betalingsregeling of een buitengerechtelijke schuldregeling zou zijn geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van O/GS. De Commissie acht het bezwaar op dit punt dan ook ongegrond.

Discriminatie

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie is uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de aanvullende en definitieve schriftelijke beschouwing van UHT, onvoldoende gebleken. Ook op dit punt kan het bezwaar van belanghebbende niet slagen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar van 18 juli 2023 tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter