BAC 2023-13758
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden
Overdracht advies aan UHT: 11 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking. Daarbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij heeft de CvW geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 mei 2023, ingekomen op diezelfde dag, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 24 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 4 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
- Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
- Gemachtigde heeft, namens belanghebbende, binnen de gestelde termijn gereageerd.
- Dit advies wordt zonder dat belanghebbende is gehoord uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Vaststaande feiten (voor zover relevant)
- Uit de systemen van de B/T kan niet worden vastgesteld dat op naam van belanghebbende ooit KOT aangevraagd, noch KOT aan belanghebbende is toegekend, terwijl bij belanghebbende ook nooit KOT teruggevorderd of verrekend is met andere toeslagen.
- Aan belanghebbende zijn de op deze zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Daarin zijn geen aanwijzingen te vinden voor de veronderstelling dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting van het bestuursorgaan (in dit geval UHT) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.
Toets artikel 2.1. lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.
De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT.
Belanghebbende heeft daar tegenovergesteld dat haar zoon wel erkend is als slachtoffer van de toeslagenaffaire, omdat hij een vergoeding heeft gekregen in het kader van de kindregeling. Verder stelt belanghebbende dat zij altijd voor haar zoon gezorgd heeft.
Een en ander betekent echter niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende aanvrager van KOT is geweest; de door UHT op de zaak betrekking hebbende stukken bieden daarvoor namelijk geen aanknopingspunten. Belanghebbende stelt zich nog op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor de toepassing van de ex-partnerregeling als haar ex-partner is erkend als gedupeerde in de zin van de Wht.
Hoewel dat op zichzelf genomen juist is, valt dit buiten het bestek van deze procedure. Wel geeft de Commissie UHT in overweging om hier zelf op korte termijn actief onderzoek naar te doen en belanghebbende te informeren over de uitkomst daarvan en haar te wijzen op de mogelijkheden die zij heeft om op grond van (bijvoorbeeld) de ex-toeslagpartnerregeling in aanmerking te komen voor een vergoeding.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij aanvrager is geweest van KOT. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.
Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie.
Zoals hiervoor overwogen stelt de Commissie vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen.
Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie merkt op de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure. Hoewel bij belanghebbende verschillende bedragen zijn teruggevorderd, heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden dat die terugvorderingen zijn gedaan in verband met een terugbetaling van onterecht uitgekeerde KOT aan belanghebbende.
Bezwaar is kennelijk ongegrond (en daarom is belanghebbende niet gehoord)
De Commissie heeft belanghebbende in kennis gesteld van haar voorlopige conclusie en haar voornemen UHT te adviseren het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren, zonder belanghebbende vooraf te horen. Op grond van artikel 3 lid 2 sub b van de Instellingsregeling van de Commissie en artikel 7:13 lid 4 Awb in samenhang met artikel 7:3 Awb, mag de Commissie afzien van horen als een bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Belanghebbende is nog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken gemotiveerd aan te geven waarom wel gehoord zou moeten worden. Daarbij is ook meegedeeld dat de Commissie advies uitbrengt zonder belanghebbende te horen als deze niet (of niet tijdig) reageert of als een reactie geen nieuwe gezichtspunten oplevert.
Belanghebbende heeft weliswaar gereageerd, maar zoals hiervoor overwogen geeft die reactie (aan dit advies gehecht) de Commissie geen aanleiding terug te komen op haar voorlopige oordeel dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar (kennelijk) ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter