BAC 2023-13743
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 augustus 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 19 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019. Omdat de KOT over de jaren vanaf 2016 bleek te zijn aangevraagd door de echtgenoot van belanghebbende, en belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2014 geen KOT heeft aangevraagd, heeft UHT alleen de jaren 2009, 2010 en 2011 beoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 9 februari 2022 (UHT CHR GU) aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij beslissing op bezwaar van 11 december 2024 ongegrond is verklaard.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juli 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 21 augustus 2023 (UHT-DCHA) aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009, 2010 en 2011.
- Bij brief van 27 augustus 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.
- Op 15 oktober 2023 heeft gemachtigde de gronden van het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 6 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie constateert dat UHT in de bijlage bij de bestreden beschikking een toelichting per toeslagjaar heeft gegeven waarmee UHT de bestreden beschikking per jaar motiveert. Uit het dossier blijkt tevens dat de PZB-er belanghebbende de mogelijkheid heeft gegeven om feiten naar voren te brengen die tot een andersluidende conclusie van UHT hadden kunnen leiden. Verder heeft UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing ingediend waarin UHT per toeslagjaar een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incasso Centrum en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit aldus voldoende onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2009 en 2011
UHT heeft de in het kader van de bestreden beschikking beoordeelde toeslagjaren uitvoerig behandeld in de schriftelijke beschouwing en is tot dezelfde conclusie gekomen als in die beschikking, namelijk dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij uitsluitend nog vragen heeft over het toeslagjaar 2010. Het jaar 2009, zo verklaarde zij, is duidelijk voor belanghebbende en over het jaar 2011 merkt belanghebbende op dat zij zich niet kan herinneren dat zij de KOT in dat jaar tweemaal heeft stopgezet. Zij erkent evenwel dat zich in het dossier XML bestanden zitten waaruit die stopzettingen door haar blijken.
De Commissie overweegt dat hoewel belanghebbende verklaart dat zij zich niet kan herinneren dat zij de KOT heeft stopgezet, het bezwaardossier (pagina’s 284 en 286) twee xml bestanden bevat waaruit blijkt dat belanghebbende de KOT over 2011 tweemaal heeft stopgezet, respectievelijk per 23 mei 2011 en per 1 juli 2011.
Dat betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) destijds van genoemde stopzettingen heeft mogen uitgaan. De Commissie onderschrijft ook overigens het standpunt van UHT met betrekking tot deze toeslagjaren. Over 2009 heeft geen neerwaartse correctie van de KOT plaatsgevonden en de neerwaartse correcties over 2011 betroffen reguliere correcties op basis van van belanghebbende afkomstige gegevens.
2010
Belanghebbende stelt vooringenomen te zijn behandeld omdat zij gedurende het jaar 2010 meermaals zou hebben gemeld aan B/T dat zij meer uren opvang afnam (117 uur in plaats van 114 uur) dan het aantal uren waarvoor zij KOT kreeg. Omdat B/T deze wijziging niet doorvoerde heeft belanghebbende langere tijd veel financiële ellende ervaren.
UHT acht het bezwaar van belanghebbende ongegrond. B/T is voor 2010 uitgegaan van het aantal opvanguren (114 uur per maand) dat door belanghebbende aan B/T op 24 september 2009 is doorgegeven (het xml bestand op pagina 143 van het bezwaardossier).
Pas uit de door belanghebbende bij het op 2 oktober 2011 ingestelde bezwaar tegen vaststelling van de hoogte van de KOT over 2010 bij beschikking van 29 september 2011, overgelegde jaaropgave bleek dat het aantal opvanguren 117 uur had moeten zijn. Op basis van deze gegevens heeft B/T het aantal opvanguren aangepast en de KOT opwaarts bijgesteld.
Uit de systemen van B/T blijkt volgens UHT niet dat belanghebbende indertijd herhaaldelijk aan B/T heeft doorgegeven dat het aantal opvanguren onjuist was. Dit heeft belanghebbende B/T pas duidelijk gemaakt bij genoemd het bezwaar.
De Commissie is van oordeel dat B/T het aantal opvanguren over 2010 aanvankelijk op goede gronden heeft vastgesteld op 114 per maand. Dat aantal had belanghebbende immers op 24 september 2009 doorgegeven. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende B/T eerder op de hoogte heeft gesteld van de wijziging in het aantal opvanguren naar 117 per maand dan met de toezending op 2 oktober 2011 van de jaaropgave van de kinderopvanginstelling van 18 januari 2011. Naar aanleiding van die opgave heeft B/T de hoogte van het aantal opvanguren en de hoogte van de KOT aangepast. Het niet (eerder) aanpassen van de opvanguren, levert dus geen vooringenomen handelen van B/T op. UHT heeft voorts uitgelegd dat de neerwaartse bijstelling van de KOT over 2010 het gevolg was van een stijging van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft de juistheid van die bijstelling niet betwist.
Dat leidt tot de conclusie dat B/T niet vooringenomen heeft gehandeld met betrekking tot 2010.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond is en de bestreden beschikking in stand kan blijven, dient het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren;
- het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter