BAC 2023-12784
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 december 2022 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 12 mei 2025 om 15: 15 uur
Overdracht advies aan UHT: 30 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door toenmalige gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de toeslagjaren 2006 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 en 2010.
In overeenstemming met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2011. - UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 15 december 2022 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.657 voor de toeslagjaren 2006 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010.
- De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 21 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 19 mei 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 5 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht.
- Gemachtigde heeft naar aanleiding van hetgeen op de hoorzitting is besproken op 14 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft de Commissie op 15 mei 2025 schriftelijk geïnformeerd dat zij hier niet nader op wenst te reageren en haar standpunt in de beschouwing handhaaft.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar (nadien voor het toeslagjaar 2007 niet gehandhaafde) beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 af te wijzen.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat zij voor het toeslagjaar 2006 dient te worden gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen in plaats van hardheid.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2006 sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Belanghebbende heeft in een wijzigingsformulier aan B/T doorgegeven dat de KOT per 31 juli 2006 moest worden stopgezet. De omstandigheid dat belanghebbende een factuur aan B/T heeft aangeleverd waaruit zou volgen dat zij in september 2006 kinderopvang heeft afgenomen, houdt volgens de Commissie niet in dat B/T op grond daarvan een informatie-uitvraag had moeten doen. B/T mocht vertrouwen op de juistheid van het opgestuurde wijzigingsformulier. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren en de grondslag waarop belanghebbende is gecompenseerd niet aan te passen.
Toeslagjaar 2007
UHT kent in haar schriftelijke verweer alsnog compensatie toe aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2007, omdat zij niet met zekerheid kan stellen dat het gedeelte van de terugvordering dat niet is terugbetaald door de kinderopvanginstelling aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt derhalve gegrond te verklaren en dit in de beslissing op bezwaar aan te passen.
Toeslagjaren 2008 en 2010
Belanghebbende stelt dat zij ook over de toeslagjaren 2008 en 2010 als gedupeerde dient te worden aangemerkt.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2008 en 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT over het toeslagjaar 2008 is onterecht automatisch gecontinueerd, nadat belanghebbende de KOT per 31 juli 2006 had stopgezet. De KOT werd overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. De kinderopvanginstelling heeft de KOT, op een bedrag van € 9 na, terugbetaald aan B/T. Dit bedrag is teruggevorderd bij belanghebbende. Wanneer de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid, dient bij de ouder een bedrag van tenminste € 1.500 te zijn teruggevorderd. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor compensatie op grond van hardheid, omdat het over dit toeslagjaar gaat om een terugvordering van minder dan € 1.500. De terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2010 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van door belanghebbende aangeleverde gegevens opnieuw is berekend. De KOT werd aan de kinderopvanginstelling overgemaakt, maar is teruggevorderd bij belanghebbende. Deze terugvordering (€904) is met het kindgebonden budget over het toeslagjaar 2020 verrekend. Belanghebbende stelt dat zij dit bedrag nog dient te ontvangen. Hoewel dit een significant nadeel heeft opgeleverd, overweegt de Commissie dat de onderhavige bezwaarprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor compensatie, omdat het gaat om een terugvordering van minder dan € 1.500. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (0/GS) over deze toeslagjaren, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Belanghebbende verzoekt UHT de uitkomst van de integrale beoordeling opnieuw te toetsen. UHT heeft de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2006 en 2011 nagerekend en geconstateerd dat de rentevergoeding over de gemiste KOT en de vergoeding voor immateriële schade onjuist zijn berekend.
Bij de berekening van de rentevergoeding over de gemiste KOT en de vergoeding voor immateriële schade over de toeslagjaren 2006 en 2011 is van onjuiste startdatums uitgegaan. De vergoedingen voor deze jaren komen bij het gebruik van de juiste startdatums op een lager bedrag uit dan reeds aan belanghebbende is toegekend. De Commissie adviseert UHT de startdatums voor de vergoedingen voor beide jaren niet aan te passen omdat dit in het voordeel van belanghebbende is.
Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
Werkelijke schade
Belanghebbende stelt meer schade te hebben geleden door de problemen met de KOT dan waarvoor zij is gecompenseerd. Zij heeft financiële problemen en problemen met haar gezondheid. Haar kinderen hebben ook hieronder geleden.
De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2007;
- de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
- de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter