BAC 2023-13737
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 14 juli 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking, van 8 juni 2023, wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2014 tot en met 2019. In het kader van de herbeoordeling heeft de persoonlijke zaakbehandelaar (hierna: PZB) in goed overleg met de belanghebbende de jaren aangepast naar de toeslagjaren 2014 tot en met 2017.
- UHT heeft bij beschikking van 27 april 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat gedurende de betrokken toeslagjaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 juli 2023, ingekomen op 17 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Reguliere correcties – toeslagjaren 2014 en 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2014 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2014 en 2015 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De reguliere wijzigingen zien op het aantal opvanguren, een stopzetting van de uren door belanghebbende, het (gezamenlijk) toetsingsinkomen van belanghebbende en het uitgaan door de B/T van de gegevens uit de KOI-viewer. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzoek om betalingsregeling – toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat hij in het toeslagjaar 2014 aan de B/T heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. UHT heeft geen stuk aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd. De Commissie beschikt niet over gegevens of aanwijzingen waaruit volgt dat deze stelling van belanghebbende aannemelijk is.
Evident geen recht – toeslagjaar 2016
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. De B/T heeft inzake dit toeslagjaar de KOT-aanvraag van belanghebbende afgewezen vanwege non-respons, zonder eerst twee keer schriftelijk een vraag- en rappelbrief te zenden aan belanghebbende. De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT dat belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op KOT aan te tonen en dat dit een vooringenomen handeling van de B/T betreft. Echter, toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in het toeslagjaar 2016 nu belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt niet bestreden en ook uit het ouderverhaal blijkt dat in het toeslagjaar 2016 geen kinderopvang is afgenomen. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het toeslagjaar 2016 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen aanvraag – toeslagjaar 2017
Aangezien uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende in die jaren aanspraak heeft gemaakt op KOT, dan wel sprake is geweest van (een terugvordering van de) KOT, concludeert de Commissie dat belanghebbende voor dit toeslagjaar geen beroep op de Wht kan doen. Daarbij neemt de Commissie ook in overweging het feit dat uit het ouderverhaal blijkt dat belanghebbende heeft verklaard inzake het toeslagjaar 2017 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang.
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde een opmerking gemaakt over de kwalificatie HOTHOR (hoge toeslag, hoog risico), die in het dossier bij de toeslagjaren 2016 en (mogelijk ook) 2015 voorkomt. Dit is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, geautomatiseerd wordt toegevoegd in gevallen van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. De Commissie overweegt als volgt. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of er institutionele vooringenomenheid is geweest, maar leidt op zichzelf niet dwingend tot een bevestigend antwoord op die vraag. Aanwijzingen voor zo’n bevestigend antwoord zijn, als ook rekening wordt gehouden met de andere feiten en omstandigheden van dit geval, onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en om
- het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter