Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12780

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 maart 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 16 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.045,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor de jaren 2014, 2015 en 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar zijn de jaren 2014, 2015 en 2016 betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.045,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 mei 2025 een aanvullend stuk ingediend. UHT heeft daar op 2 juni 2025 op gereageerd.
  • Op 4 juni 2025 heeft de Commissie UHT verzocht haar nadere schriftelijke reactie aan te vullen. UHT heeft daar op 4 juni 2025 en 5 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Vooraankondiging en zienswijze
Gelet op wat besproken is tijdens de hoorzitting, staat tussen partijen vast dat belanghebbende niet conform artikel 6.7 van de Wht in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. UHT heeft ter zitting erkend dat dit niet had mogen gebeuren en heeft haar excuses hiervoor aangeboden.

De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen.
Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) met betrekking tot toeslagjaar 2015 vooringenomen gehandeld heeft. UHT heeft hiervoor een compensatie naar rato toegekend voor de periode januari tot en met april en december 2015.

Belanghebbende voert daarover aan dat zij ten onrechte slechts een gedeeltelijke compensatie heeft ontvangen over toeslagjaar 2015. Zij stelt dat zij het volledige jaar 2015 opvang heeft genoten. Zij voert daartoe aan dat zij vanwege het ruime tijdsverloop geen stukken meer heeft kunnen bemachtigden die dit standpunt onderbouwen, maar dat dit gelet op de bewijslastverdeling niet voor haar rekening mag komen.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan in het geval van belanghebbende sprake in de periode mei tot en met november 2015, omdat belanghebbende in die periode geen geregistreerde kinderopvang afnam. De Commissie stelt vast dat belanghebbende bij antwoordformulier van 8 september 2016 informatie heeft ingestuurd over de door haar afgenomen opvang in 2015 (productie 38). Uit dat formulier en de bijgevoegde jaaropgaven volgt dat belanghebbende in de maanden januari tot en met april 2015 opvang heeft afgenomen bij gastouder X (naam gastouderbureau niet vermeld) en in de maand december 2015 opvang heeft afgenomen bij gastouder Y, via gastouderbureau X. Beide jaaropgaven bevatten een specificatie per maand, waarin geen opvanguren zijn opgenomen voor de maanden mei tot en met november 2015. De KOI-viewer van 2015, door UHT overgelegd op 2 juni 2025, bevat geen informatie en biedt daarom geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de informatie uit het antwoordformulier een onvolledig beeld geeft van de afgenomen geregistreerde opvang in 2015.

De Commissie ziet hierom geen grond voor het oordeel dat belanghebbende ook over de maanden juni tot en met november 2015 voor compensatie wegens vooringenomenheid in aanmerking komt. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid in een periode waarover evident geen recht is vastgesteld. Het is de Commissie niet, althans onvoldoende, gebleken, dat zich bij belanghebbende zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan. Belanghebbende komt voor de periode mei tot en met november 2015 daarom niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie ziet geen aanleiding UHT in deze procedure te adviseren om een hogere dan de standaardcompensatie aan belanghebbende toe te kennen voor toeslagjaar 2015. Indien belanghebbende stelt méér schade te hebben geleden als gevolg van het vooringenomen handelen door B/T, bijvoorbeeld vanwege het maken van kosten voor vervangende kinderopvang, kan zij een verzoek om een aanvullende schadevergoeding indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.

Component f: 'AF: verschil met laatst vastgestelde KOT-beschikking'
UHT heeft in haar beschouwing van 11 november 2024 het standpunt ingenomen dat de bedragen onder component f onjuist zijn, maar dat zij deze niet zal aanpassen omdat dat niet in het voordeel is van belanghebbende.

Naar aanleiding van de hoorzitting heeft UHT het nadere standpunt ingenomen dat het in het voordeel is van belanghebbende om het bedrag onder component f voor toeslagjaar 2015 te corrigeren. UHT acht het bezwaar daarom gedeeltelijk gegrond. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt en adviseert UHT om dit aan te passen in de compensatieberekening.

Startdatum vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf begin 2014, toen voor haar de problemen met toeslagenproblematiek begonnen.

UHT heeft zich op het nadere standpunt gesteld dat de thans gehanteerde startdatum 30 december 2014 onjuist is. Volgens UHT zou de startdatum moeten liggen op 16 maart 2015, de dagtekening van een brief waarin wordt aangekondigd dat belanghebbende de KOT voor de jaren 2014 en 2015 moet terugbetalen. UHT zal de startdatum echter niet corrigeren, omdat dat in het nadeel van belanghebbende zou zijn.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren de vergoeding vanaf een eerdere datum dan 30 december 2014 te berekenen, nu niet is gebleken van een vooringenomen handeling van vóór die datum. Zij adviseert UHT daarom om deze startdatum te handhaven, opdat belanghebbende niet wordt benadeeld.

Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte geen vergoeding voor juridische kosten heeft gekregen. Zij voert aan dat zij de bezwaarschriften weliswaar zelf heeft ingediend, maar hierbij advies heeft ingewonnen van advocaten uit haar netwerk.

De Commissie overweegt dat de vergoeding voor juridische kosten een forfaitair bedrag betreft voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende tegen deze beschikkingen van de jaren 2014 en 2015 bezwaarschriften heeft ingediend, maar niet dat zij met betrekking tot één van die bezwaarschriften gebruik heeft gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (productie 5, onderdeel E, blz. 32-33 en 52).

Belanghebbende heeft in bezwaar geen nadere informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij kosten heeft gemaakt voor het inschakelen van juridische hulp bij haar bezwaren. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
Op grond van artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3, lid 7, Wht berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.

UHT heeft deze rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw berekend en geconstateerd dat de bij bestreden beschikking toegekende rente voor ieder toeslagjaar over een te groot tijdvak is berekend. Een correctie van de rente zou daarom in het nadeel van belanghebbende zijn. De Commissie adviseert daarom, in lijn met het voornemen van UHT, deze vergoeding niet aan te passen.

Einddatum vergoeding voor immateriële schade en 1% aanvullende vergoeding
Omdat het compensatiebedrag wijzigt, acht UHT het bezwaar gedeeltelijk gegrond. Om die reden zal UHT, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. Dit is vast beleid van UHT. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.

Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

Informatie over de betrokkenheid van belanghebbende bij onderzoek NOAH 353
Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de Commissie UHT verzocht om nader uitzoekwerk te doen naar de achtergrond van onderzoek NOAH 353, dat in het informatie- en beoordelingsformulier is vermeld als onderzoek waarbij belanghebbende betrokken was (productie 5, onderdeel H). UHT heeft daarop in eerste instantie gereageerd met de mededeling dat er binnen haar organisatie geen informatie bekend is over onderzoek NOAH 353.

De Commissie heeft UHT hierna nogmaals in de gelegenheid gesteld om hiervoor uitzoekwerk te doen, met het verzoek om buiten haar eigen organisatie en binnen het juiste organisatieonderdeel van B/T navraag te doen. UHT heeft de Commissie daarop bericht dat zij de kwestie nogmaals geëscaleerd heeft, maar dat onderzoek NOAH 353 niet bekend is. Hierbij heeft UHT niet aangegeven bij welke organisatieonderdelen informatie is opgevraagd. UHT benoemt daarnaast dat NOAH 353 geen CAF-onderzoek was en concludeert, zonder nadere onderbouwing, dat de betrokkenheid bij NOAH 353 in het geval van belanghebbende niet tot vooringenomenheid of hardheid heeft geleid.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van mening dat UHT zich onvoldoende heeft ingespannen om bij B/T informatie in te winnen over NOAH 353. Bij B/T moet bekend zijn wat onderzoek NOAH 353 inhield. Juist in het kader van het rechtzetten van het hetgeen in de zogenaamde Toeslagenaffaire is misgegaan, mag geen onzekerheid blijven bestaan over de aanleiding, inhoud en gevolgen van onderzoeken waaraan de ouder werd blootgesteld. Onbegrijpelijke aanduidingen van onderzoeken, zoals NOAH 353, wekken begrijpelijkerwijs achterdocht bij ouders die gedupeerd zijn door de Toeslagenaffaire. Het lag op de weg van UHT die achterdocht weg te nemen, maar zij heeft dat niet adequaat gedaan.

De Commissie acht het uitgevoerde uitzoekwerk door UHT zodanig onbevredigend dat zij hier consequenties aan wil verbinden indien er enig aanknopingspunt is om te vermoeden dat belanghebbende irregulier is behandeld. Alles afwegende in deze zaak is de Commissie echter tot de conclusie gekomen dat daarvoor geen aanknopingspunt is. De Commissie komt dan ook niet tot een ander advies dan hierboven is uiteengezet.

Strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Nu de bestreden beschikking volgens de Commissie niet in stand kan blijven, staat daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
    • component f voor toeslagjaar 2015;
    • de vergoeding voor immateriële schade;
    • de 1% aanvullende vergoeding;
  • het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter