BAC 2023-13716
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 14 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 26 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 juli 2023, ingekomen op 20 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij ongedateerde beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek van de Commissie om nadere informatie te verstrekken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Vaststaande feiten (voor zover relevant)
- Belanghebbende heeft één kind, geboren op 20 september 2001.
- De KOT over 2010 is bij voorschotbeschikking van 15 september 2010 vastgesteld op een bedrag van € 9.807,96,- en bij beschikking van 16 februari 2012 vastgesteld op een bedrag van € 0,-. Voorafgaand aan de nihilstelling is aan belanghebbende de brief van 26 oktober 2011 gestuurd, waarin staat dat niet gereageerd is op meerdere verzoeken om informatie. Deze verzoeken (vraag- en rappelbrief) zijn niet te vinden in de systemen van Belastingdienst/Toeslagen. Belanghebbende heeft in toeslagjaar 2010 geen gebruik gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang. Bij definitieve beschikking van 23 april 2013 is de KOT vastgesteld op € 0,-.
- De KOT over 2011 is bij voorschotbeschikking van 3 december 2010 vastgesteld op een bedrag van € 9.627,- en vanwege een ontbrekend LRK-nummer bij voorschotbeschikking van 20 april 2011 vastgesteld op een bedrag van € 0,-. Bij definitieve beschikking van 3 maart 2015 is de KOT vastgesteld op € 0,-. Belanghebbende en kind woonden van 1 januari 2011 tot en met 8 augustus 2011 niet op hetzelfde adres, belanghebbende heeft in toeslagjaar niet gewerkt en heeft geen gebruik gemaakt van gekwalificeerde opvang.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Totstandkoming van de bestreden beschikking
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaren 2010 en 2011
Ingevolge artikel 2.1. lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van de aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelswijze van Belastingdienst/Toeslagen. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1. lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in toeslagjaren 2010 en 2011, nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang en in toeslagjaar 2011 ook geen werk had, niet tot een doelgroep behoorde en zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 augustus 2011 niet met haar kind op hetzelfde adres woonde. Belanghebbende heeft gesteld dat zij vanaf 8 augustus 2011 wel kinderopvang heeft afgenomen en dat zij recht had op KOT omdat zij destijds een re-integratietraject volgde. Hoewel daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende geen gegevens overgelegd bij welke kinderopvanginstelling kinderopvang was afgenomen en om hoeveel uren het ging. Belanghebbende heeft haar stellingen daaromtrent aldus niet aannemelijk gemaakt, zodat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat sprake was van een situatie waarin belanghebbende evident geen recht op KOT had. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat de KOT werd overgemaakt aan haar halfbroer. Hoewel daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende geen informatie aangeleverd op grond waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat dit daadwerkelijk het geval is geweest. De Commissie stelt dan ook vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de jaren 2010 en 2011 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter