Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13685

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 20 januari 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 28 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 april 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 17 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 20 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft vervolgens herhaaldelijk de kans gekregen hier op te reageren maar heeft dat niet gedaan.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Toeslagjaar 2013

Het bezwaar van belanghebbende richt zich primair op de herbeoordeling van toeslagjaar 2013.

Voor toeslagjaar 2013 heeft belanghebbende € 3.939,- aan KOT als voorschot ontvangen voor kinderopvang bij gastouder [naam] via gastouderbureau [naam]. Een gastouder is op grond van de Wet Kinderopvang verplicht zich te laten bijstaan door een geregistreerd gastouderbureau. Het gastouderbureau verstrekt de jaaropgaven en doet de KOI-viewer registraties.

Op of omstreeks 1 augustus 2013 is gastouder [naam] gewisseld van gastouderbureau. Gastouderbureau [naam] hield er namelijk mee op en gastouder [naam] heeft zich aangesloten bij gastouderbureau [naam]. Vervolgens is het KOT-voorschotbedrag meermaals gewijzigd, zowel neerwaarts als opwaarts, als gevolg van wijzigingen in de situatie van belanghebbende. Bij definitieve beschikking van 13 november 2015 heeft de belastingdienst/toeslagen (hierna: B/T) de KOT van belanghebbende voor toeslagjaar 2013 vastgesteld op € 3.184,-. Van belanghebbende werd € 2.420,- teruggevorderd. Als reden heeft B/T aangevoerd dat belanghebbende minder uren aan opvang heeft afgenomen dan oorspronkelijk opgegeven.

Uit bestudering van de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat zowel de opwaartse als neerwaartse correcties van de KOT voor toeslagjaar 2013 zijn gebaseerd op inkomenswijzigingen en op de kinderopvanggegevens zoals deze in KOI-viewer staan. B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij in beginsel vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders, zoals deze in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken. Een uitzondering op die regel geldt als zich feiten of omstandigheden voordoen die B/T in redelijkheid aanleiding hadden moeten geven de juistheid van de ter beschikking staande gegevens in twijfel te trekken.

Na bestudering van het door UHT overgelegde Informatie- en beoordelingsformulier concludeert de Commissie dat er meerdere interne foutmeldingen bij B/T bekend waren omtrent de stopzetting van de kinderopvang bij gastouderbureau [naam]. In oktober 2013 wordt bijvoorbeeld door het systeem een foutmelding geregistreerd: “de gemelde stopzetting kinderopvang bij kinderopvanginstelling met LRK registratienummer “138889016” is niet of niet eenduidig te bepalen.” Hierna volgt de interne opmerking: “Niet bekende LRK-gegevens in TVS.”         Desalniettemin heeft B/T nagelaten om bij belanghebbende om informatie te vragen.

Uit de jaaropgaven voor kinderopvang in toeslagjaar 2013 die in het bezwaardossier zitten, volgt dat belanghebbende voor de maanden juni en juli 2013 geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen via gastouderbureau [naam], zoals ook in het door UHT overgelegde informatie- en beoordelingsformulier te lezen valt. Deze uren staan – terecht – niet op de door gastouderbureau [naam] afgegeven jaaropgave.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Institutionele vooringenomenheid wordt aangenomen bij niet nader uitvragen van informatie door B/T bij een gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Nu in deze zaak niet door B/T bij belanghebbende om aanvullende informatie is gevraagd omtrent de geregistreerde kinderopvang via gastouderbureau [naam], ondanks dat B/T intern vraagtekens heeft geplaatst bij de afgenomen opvanguren, gaat de Commissie ervan uit dat belanghebbende vooringenomen is behandeld en recht heeft op compensatie.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen.

Toeslagjaren 2014, 2015, 2016, 2018 en 2019

De KOT is voor ieder van de toeslagjaren 2014, 2015, 2016, 2018 en 2019 aangepast aan de hand van gegevens doorgegeven door belanghebbende, een definitief vastgesteld toetsingsinkomen en de gegevens uit KOI-viewer. De KOT is voor ieder van deze toeslagjaren alleen opwaarts gecorrigeerd en er zijn dan ook geen bedragen door B/T teruggevorderd.

Belanghebbende komt voor deze toeslagjaren niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017

De KOT voor toeslagjaar 2017 is ook aangepast aan de hand van gegevens doorgegeven door belanghebbende, een definitief vastgesteld toetsingsinkomen en de gegevens uit KOI-viewer. Omdat belanghebbende zelf heeft doorgegeven minder opvanguren af te nemen dan oorspronkelijk toegekend, is de KOT voor 2017 neerwaarts gecorrigeerd.

De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De verlaging van de KOT over toeslagjaar 2017 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCHA te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschrift en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • De beschikking met kenmerk UHT-DCHA te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
  • Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt

Secretaris

Fungerend voorzitter