BAC 2023-13681
Publicatiedatum 26-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 mei 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 15 april 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift wordt geacht te zijn gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 23 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geen fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng heeft toegepast.
Procesverloop
- Op 22 januari 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2016 tot en met 2018. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is beslist dat de herbeoordeling ziet op alle toeslagjaren waarin KOT is aangevraagd (2016 tot en met 2019).
- Bij beschikking van 24 mei 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- Op 15 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
- Bij beschikking van 23 mei 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor de jaren 2016 tot en met 2019 niet in aanmerking komt voor compensatie.
- Op 29 juni 2023 heeft belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
- Op 16 november 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende aanvullende gronden ingediend.
- Op 21 maart 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 15 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 16 mei 2025 heeft gemachtigde, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. Op 28 mei 2025 heeft UHT hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2016 tot en met 2019 af te wijzen. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Belanghebbende stelt dat B/T in de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Het is de Commissie gebleken dat in toeslagjaar 2016 de KOT eenmaal neerwaarts is gecorrigeerd naar aanleiding van de gegevens uit de KOI-viewer. In toeslagjaar 2017 is de KOT neerwaarts gecorrigeerd naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging van de opvanguren en het door belanghebbende toegestuurde antwoordformulier met de jaaropgave. Voorts volgt uit het bezwaardossier dat in toeslagjaar 2018 er twee neerwaartse correcties hebben plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was naar aanleiding van de gegevens uit de KOI-viewer en de tweede neerwaartse correctie was naar aanleiding van de door belanghebbende toegestuurde jaaropgave. Tot slot volgt uit het bezwaardossier dat belanghebbende op 24 augustus 2019 de KOT met ingang van 26 augustus 2019 stopzet waardoor de KOT in het jaar 2019 neerwaarts is gecorrigeerd.
De Commissie overweegt dat, gelet op het een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Daarbij merkt de Commissie op dat B/T in beginsel uit mag gaan van de gegevens uit de KOI-viewer. Deze gegevens zijn namelijk door de kinderopvanginstelling aangeleverd. Er zijn, in het geval van belanghebbende, geen aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. Het is de Commissie derhalve niet gebleken van een onterechte verlaging van de KOT. Ten aanzien van de correcties ná 23 oktober 2019, overweegt de Commissie dat deze handelingen zich afspelen na de periode waarop de Wet hersteloperatie toeslagen betrekking heeft (artikel 2.1 van deze wet). Niet of onvoldoende is gebleken dat de handelingen door B/T vóór 23 oktober 2019 uiting geven van een onrechtmatig handelen. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om over deze handelingen te adviseren.
De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden zou zijn. De bezwaren zijn op dit punt ongegrond.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft bij gebrek aan wetenschap gesteld dat B/T in het verleden geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter