Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13678

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 mei 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 24 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 15 oktober 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2015 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door toenmalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
 
Huidige gemachtigde is thans de gemachtigde van belanghebbende.
 
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2011 tot en met 2015 herbeoordeeld.
  • Uit hoofde van de Catshuisregeling is belanghebbende in aanmerking gekomen voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het besluit van 23 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA (bestreden besluit) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2015.
  • Toenmalig gemachtigde heeft bij brief van 20 juni 2023, ingekomen op 20 juni 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Toenmalig gemachtigde heeft bij brief van 15 februari 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 7 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Ter hoorzitting heeft huidig gemachtigde pleitaantekeningen en de plaatsingsovereenkomsten overgelegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Belanghebbende heeft bij de beoordeling van de lichte toets de Cathuisregeling toegekend gekregen van een bedrag van 30.000,- EUR. Bij de integrale beoordeling is het verzoek om compensatie alsnog afgewezen. De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Het geschil beperkt zich, gelet op wat tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, tot de toeslagjaren 2014 en 2015.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende betoogt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over toeslagjaar 2014 vooringenomen heeft gehandeld door de KOT op nihil te stellen op basis van de informatie op het antwoordformulier. Op het antwoordformulier staat weliswaar een handtekening van belanghebbende, maar zij stelt dat het formulier niet door haar is ingevuld en ook niet door haar is ondertekend. Het formulier bevat volgens belanghebbende onjuiste informatie en is vermoedelijk door de bewindvoerder ingevuld en ondertekend. Er had nader uitvraag bij haar gedaan moeten worden.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De neerwaartse bijstellingen KOT over dit toeslagjaar waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De eerste verlaging heeft plaatsgevonden op basis van doorgegeven informatie van DUO (oudste kind naar het voortgezet onderwijs) en de tweede verlaging naar aanleiding van de informatie op het antwoordformulier dat in 2014 geen kinderopvang is afgenomen. Deze wijzigingen zijn conform de wet uitgevoerd en geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenaamde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie overweegt dat de stelling van belanghebbende dat het antwoordformulier kennelijk door de bewindvoerder (onjuist) is ingevuld, ondertekend en ingezonden niet maakt dat dit kan worden aangemerkt als vooringenomen handelen van B/T.

Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Toeslagjaar 2015

UHT heeft zich in de beschouwing op het standpunt gesteld dat in toeslagjaar 2015 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T nu niet gebleken is dat voorafgaand aan de verlaging uitvraag is gedaan bij belanghebbende. UHT stelt zich verder op het standpunt dat geen compensatie hoeft te worden toegekend over 2015 omdat voldoende aannemelijk is dat in 2015 geen opvang is afgenomen.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. De bewijslast hiervoor ligt bij UHT.

Volgens UHT heeft B/T zich terecht op het standpunt gesteld dat in 2015 geen recht op KOT bestond. B/T mocht op basis van de informatie op het antwoordformulier over 2014 en het gegeven dat belanghebbende in 2015 niet opnieuw een aanvraag om KOT heeft ingediend, in redelijkheid aannemen dat er ook in 2015 geen opvang is afgenomen en dus geen recht op KOT bestond. Dit zou ook blijken uit het feit dat in 2014 en 2015 geen gegevens in KOI-viewer zijn opgenomen.

De Commissie is van opvatting dat de informatie op het antwoordformulier dat in 2014 geen opvang is genoten, niet uitsluit dat er in 2015 wel sprake was van opvang. De stelling van UHT dat belanghebbende voor 2015 opnieuw KOT diende aan te vragen kan de Commissie niet volgen. De KOT over 2015 is immers vastgesteld op basis van automatische verlenging bij beschikking van 27 december 2014. Belanghebbende hoefde dus geen nieuwe aanvraag te doen nu de KOT automatisch werd verlengd. Tot slot verwijst UHT naar de KOI viewer die niet is ingevuld voor het jaar 2015. De Commissie overweegt dat van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer in principe alleen mag worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat in 2015 geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. De Commissie wijst in dit verband verder op de verklaring van belanghebbende en haar dochter ter zitting dat in 2015 wel opvang is genoten, namelijk tot het moment dat de dochter na de zomer van 2015 naar de middelbare school is gegaan.

De Commissie adviseert UHT daarom om alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen over 2015. Dat er sprake zou zijn van een situatie van evident geen recht op KOT is niet aangetoond.

O/GS-tegemoetkoming

Vast staat dat geen sprake is geweest van een zogenaamde O/GS-kwalificatie (productie 0800004). Belanghebbende betoogt dat B/T niet akkoord is gegaan met haar voorstel om een (persoonlijke) betalingsregeling te treffen. De Commissie begrijpt deze grond aldus dat belanghebbende meent dat zij op grond hiervan in aanmerking dient te komen voor een O/GS-tegemoetkoming.

De Commissie overweegt dat voor de aannemelijkheid dat een betalingsregeling is gevraagd de enkele stelling van belanghebbende niet voldoende is. In het dossier is geen stuk aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd en ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. Het gegeven dat sprake is van geweest van een reguliere betalingsregeling en belanghebbende een inkomen op bijstandsniveau ontving is hiervoor niet voldoende.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Verrekeningen

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de verrekeningen met andere toeslagen door B/T om een financiële noodsituatie is komen te verkeren. Dit biedt volgens haar ook een grond voor compensatie.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever eventuele schade geleden als gevolg van verrekeningen van terechte terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen onder de noemer hardheid als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder b Wht heeft willen scharen. De wet noemt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, is opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

De Commissie adviseert UHT om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2015;
  • een vergoeding van proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter