Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11265

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 juli 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DHR)

Hoorzitting: 8 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert de bezwaren tegen de beschikkingen met de kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren en deze beschikkingen in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om het bezwaar tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DHR deels gegrond te verklaren, opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies en aan belanghebbende ter zake van laatst genoemd bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De doorde gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie op grond van hardheid van het stelsel toegekend voor een bedrag van € 22.903,- voor de jaren 2013 en 2015 en is geen compensatie toegekend voor het jaar 2014.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot het jaar 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • Bij beschikking van 28 juli 2022 (met kenmerk UHT-DHR) is de definitieve compensatie over de toeslagjaren 2013 en 2015 vastgesteld op € 22.903. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
  • Bij beschikking van 28 juli 2022 (met kenmerk UHT-DC-I A) is aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2014.
  • Bij beschikking van 28 juli 2022 (met kenmerk UHT-DH5 A) is aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens hardheid voor het toeslagjaar 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 15 december 2022, ingekomen op 19 december 2022, tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 13 januari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 17 april 2025 heeft de Commissie per e-mail een vraag gesteld aan UHT. UHT heeft deze vraag op 24 april 2025 beantwoord.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 29 april 2025 de gronden van de bezwaren aangevuld.
  • Op 7 mei 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 8 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen van 28 juli 2022 ontbreken. Derhalve zijn de bestreden beschikkingen onvoldoende gemotiveerd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC). De Commissie is daarom van oordeel dat de bestreden besluiten door middel van het indienen van een schriftelijke reactie en de bijbehorende producties voldoende zijn onder-bouwd. Namens belanghebbende zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere zienswijze nopen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke beschouwing van UHT en de bijbehorende stukken, die op 19 maart 2025 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 19 maart 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen - en daarvan gebruik gemaakt - om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

De toeslagjaren 2005 t/m 2012 en 2016 t/m 2019
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze jaren sprake was van KOT.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2014 en 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. De Commissie heeft goede nota genomen van de in de aanvullende schriftelijke beschouwing en op de zitting gedane toezegging van UHT om het verzoek van belanghebbende in het reguliere proces voor de integrale beoordeling in behandeling te nemen. Nu deze werkwijze geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2013
In de schriftelijke beschouwing heeft UHT erkend dat belanghebbende over 2013 recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid, zoals belanghebbende in bezwaar heeft aangevoerd. Het desbetreffende bezwaar is dus gegrond. Belanghebbende stelt verder dat de immateriële schadevergoeding berekend dient te worden vanaf 3 juni 2015 en niet vanaf 31 juli 2015 zoals UHT in haar beschouwing heeft aangevoerd.

In de beschikking met kenmerk UHT-DHR staat dat de immateriële schadevergoeding wordt berekend vanaf 3 juni 2015. Uit het bezwaardossier blijkt echter dat de dagtekening van de eerste beschikking tot het verminderen van KOT 31 juli 2015 is. De positie van belanghebbende wordt slechter indien UHT van 31 juli 2015 uitgaat. Dit is niet toegestaan (het verbod op reformatio in peius). Om die reden adviseert de Commissie UHT om als startdatum van de berekening van de immateriële schadevergoeding 3 juni 2015 in stand te laten.

De Commissie heeft voorts met instemming kennis genomen van de mededeling van UHT dat de rentevergoeding over gemiste KOT over 2013 niet € 699 maar € 823 bedraagt en adviseert dit bedrag in de beslissing op bezwaar aan te passen.

Overigens leidt het feit dat de bezwaren met betrekking tot de grondslag van de compensatie voor het toeslagjaar 2013 en de rentevergoeding voor gemiste KOT gegrond zijn en de bestreden beschikking op deze punten moet worden herroepen, ertoe dat de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld doorloopt tot de datum van de beslissing op bezwaar, zoals UHT in de schriftelijke beschouwing al heeft toegezegd. Dat leidt ook tot een herberekening van de vaste vergoeding van 1 procent.

Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte KOT over 2014 heeft moeten terugbetalen omdat over de periode september tot en met november 2014 niet is uitgegaan van het juiste aantal uren.

De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, het niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2014 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.

Uit het SAS-overzicht blijkt namelijk dat bij de definitieve berekening KOT voor kind 1 voor de periode 1 januari tot en met 30 september 2014 is uitgegaan van 152 opvanguren per maand. Voor de periode 1 oktober tot en met 8 december 2014 en 9 december 2014 tot en met 31 december 2014 is voor dit kind uitgegaan van 123 opvanguren per maand. Het aantal opvanguren voor de periode 1 januari tot en met 30 september 2014 komt overeen met de door belanghebbende aangeleverde informatie van 28 juni 2014 en 12 december 2014, waaronder twee contracten en verschillende facturen. Ook het aantal opvanguren voor de periode 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 is juist, nu uit het dossier volgt dat belanghebbende op 2 september 2014 het aantal opvanguren per 1 oktober 2014 heeft verminderd naar 123 uren per maand. Belanghebbende heeft niet betwist dat zij die verlaging aan B/T heeft doorgegeven.

Voor kind 2 blijkt uit het SAS-overzicht dat bij de definitieve berekening KOT voor de periodes 1 januari tot en met 30 september 2014 en 1 oktober tot en met 8 december 2014 is uitgegaan van 230 opvanguren per maand en dat voor de periode 9 december 2014 tot en met 31 december 2014 is uitgegaan van 123 opvanguren over maand. Ook hier komt het aantal opvanguren voor de periode 1 januari tot en met 30 september 2014 en 1 oktober tot en met 8 december 2014 overeen met de door belanghebbende aangeleverde informatie van 28 juni 2014 en 12 december 2014. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat een ouder in 2014 maximaal 230 opvanguren per maand vergoed kon krijgen. Dit verklaart ook waarom er niet 238 opvanguren per maand zijn vergoed zoals belanghebbende kennelijk had gewild.. Ook het aantal opvanguren voor de periode 9 december 2014 tot en met 31 december 2014 is juist, nu belanghebbende – naar UHT onweersproken heeft gesteld en ook uit het dossier volgt - op 12 november 2014 het aantal opvanguren per 9 december 2014 heeft verminderd naar 123 uren per maand.

Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DHR naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ter zake van die bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • de bezwaren gericht tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DHR gegrond te verklaren in die zin dat in ieder geval:
    • over het toeslagjaar 2013 compensatie wegens vooringenomenheid wordt toegekend;de rentevergoeding gemiste KOT over het toeslagjaar 2013 berekend zal worden vanaf de juiste ingangsdatum, 1 juli 2014;de vergoeding voor immateriële schade berekend zal worden vanaf 3 juni 2015 tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;

    • een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter