BAC 2023-12753
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 28 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.397,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010. UHT heeft in overleg met belanghebbende de jaren 2007 tot en met 2011 her-beoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 17 juli 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007, 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 27 januari 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 46.290,-.
- UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH (de bestreden beschikking) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.397,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 maart 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 23 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 28 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 10 juli 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie stelt vast dat enkel de berekening van de compensatie voor de jaren 2008 en 2009 in geschil is.
Compensatieberekening
Aan belanghebbende is compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2009. Belanghebbende heeft in bezwaar aangevoerd dat onduidelijk is hoe de berekening van de definitieve compensatie tot stand is gekomen. Zij betwist de juistheid van de compensatieberekening.
UHT heeft in de beschouwing van 23 augustus 2024, met verwijzing naar de bijlage compensatieberekening bij de beschouwing, erkend dat de compensatie-berekening op een enkel punt onjuist is geweest en aanpassing behoeft.
Meer concreet heeft UHT vastgesteld dat component f voor 2009 foutief is vastgesteld en dat het juiste bedrag € 6.596,- moet zijn in plaats van € 6.597,-.
UHT heeft in de beschouwing toegezegd dat de vergoeding voor immateriële schade zal worden doorberekend tot aan de datum van de beschikking op bezwaar. Daarmee is ook tegemoetgekomen aan het betoog van belanghebbende dat de vergoeding voor immateriële schade te laag is vastgesteld.
Tevens heeft UHT component o (rente gemiste KOT) voor 2008 onjuist berekend, omdat een foutieve startdatum is gehanteerd. Dit bedrag dient vastgesteld te worden op € 5.745,- in plaats van € 5.689,-.
De rente gemiste KOT voor 2009 wordt niet aangepast; aanpassing zou in het nadeel van belanghebbende zijn. Ook de 1%-vergoeding zal in het voordeel van belanghebbende worden aangepast.
De Commissie neemt met instemming kennis van het bovenstaande en adviseert UHT om aan de in de beschouwing gedane toezeggingen gevolg te geven, de compensatieberekening aan te passen overeenkomstig de in de beschouwing opgenomen berekeningen en om bij haar beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Ten aanzien van het standpunt van UHT dat de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade 25 september 2009 had moeten zijn in plaats van 10 september 2009 overweegt de Commissie als volgt.
Op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht moet de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belang-hebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd en is daarom de oorspronkelijke startdatum van 10 september 2009 juist. Dit is immers de datum van de eerste (interne) vooringenomen handeling door B/T. De Commissie merkt nog op dat UHT geacht wordt dit beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.
Vergoeding juridische hulp
Belanghebbende betoogt dat haar voor het jaar 2009 ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp is toegekend en dat de vergoeding die zij voor 2008 heeft ontvangen te laag is.
In de aanvullende beschouwing van 16 juni 2025 komt UHT hieraan tegemoet. Voor toeslagjaar 2009 wordt alsnog een vergoeding voor juridische hulp toegekend van € 1.814,-. Daarnaast is voor toeslagjaar 2008 een verkeerd tarief gehanteerd en is er geen rekening gehouden met het ingestelde beroep en hoger beroep. De vergoeding voor juridische hulp voor 2008 wordt daarom vastgesteld op een bedrag van € 6.242,-.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren. Het bezwaar is ook op dit punt gegrond.
Belanghebbende betoogt dat sprake is geweest van schriftelijk horen; de correspondentie tussen haar toenmalige gemachtigde en B/T moet als zodanig worden beschouwd. Hiervoor dient een vergoeding te worden toegekend voor zowel 2008 als 2009.
De Commissie overweegt dat de vergoeding voor juridische hulp wordt vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan voor de bezwaarprocedure een vergoeding worden toegekend voor de volgende proceshandelingen: bezwaarschrift, verschijnen hoorzitting en nadere hoorzitting.
Indien wordt afgesproken dat de mondelinge hoorzitting wordt vervangen door schriftelijk horen, kan in beginsel een proceskostenvergoeding worden toegekend. In dit geval is van schriftelijk horen naar de Commissie meent echter geen sprake. Het geheel van de correspondentie beschikt over onvoldoende samenhang met betrekking tot alle aspecten van de zaak om vergelijkbaar te zijn met een (mondelinge) hoorzitting.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De compensatieberekening als volgt aan te passen:
- component n te berekenen vanaf 10 september 2009 tot en met de datum van de beslissing op bezwaar;
- component f voor 2009 vast te stellen op € 6.596,-;
- component o voor 2008 vast te stellen op € 5.745,-;
- de vergoeding voor juridische hulp voor 2008 te wijzigen naar € 6.242,-;
- een vergoeding juridische hulp voor 2009 toe te kennen van € 1.814,-, en
- component p opnieuw te berekenen.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter