Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12748

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 februari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 3 juni 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 12 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.

De beschikking van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 29.288 aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling voor de jaren 2015, 2016, de periode januari tot en met mei en september tot en met november 2017 en het jaar 2018 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor het jaar 2014, de periode juni tot en met augustus en december 2017 en de jaren 2019 en 2020 wordt geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT voor de jaren 2015 tot en met 2020. Na het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is het jaar 2014 hieraan toegevoegd.
  • Bij beschikking van 8 juli 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
  • Op 30 januari 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2014 en 2019 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie. Ditzelfde geldt voor de maanden juni tot en met augustus en december 2017, nu belanghebbende in deze periode geen recht had op KOT. Ook voor het jaar 2020 zijn de herstelregelingen niet van toepassing.
  • UHT heeft bij beschikking van 16 februari 2023 aan belanghebbende een compensatie van € 29.288 voor de jaren 2015, 2016, de periode januari tot en met mei en september tot en met november 2017 en het jaar 2018 toegekend. Voor het jaar 2014, de periode juni tot en met augustus en december 2017 en de jaren 2019 en 2020 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
  • Op 28 maart 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
  • Op 12 juni 2024 zijn er aanvullende gronden ingediend.
  • Op 4 december 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 3 juni 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 3 juni 2025 hebben UHT en gemachtigde, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, aanvullende stukken ingediend.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor het jaar 2014, de periode juni tot en met augustus en december 2017 en de jaren 2019 en 2020. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2015, 2016, de periode januari tot en met mei en september tot en met november 2017 en het jaar 2018. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het jaar 2016 op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen, waardoor dit in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast. Voor het jaar 2015, de periode januari tot en met mei en september tot en met november 2017 en het jaar 2018 wordt op een lagere rentevergoeding uitgekomen. Nu dit in het nadeel van belanghebbende is, zal dit niet worden aangepast.

Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen in de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.

De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verreken overzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn op 3 april 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afgewezen toeslagjaren
In haar schriftelijke reactie, naar aanleiding van de bezwaren van belanghebbende, heeft UHT het standpunt ingenomen dat zij voornemens is om belanghebbende alsnog te compenseren over de maanden juni tot en met augustus en december 2017, nu UHT het voldoende aannemelijk acht dat er in deze periode geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in die opvatting niet te volgen. In deze omstandigheden zal de Commissie adviseren het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit, voor zover betrekking hebbend op toeslagjaar 2017, gegrond te verklaren.

Voorts volgt uit het bezwaardossier dat er in de toeslagjaren 2014, 2019 en 2020 geen neerwaartse correcties of terugvorderingen hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de door B/T verrichtte handelingen die zich afspelen ná 23 oktober 2019 is de Commissie van oordeel dat zij niet is bevoegd om over deze handelingen te adviseren (art. 2.1 van de Wht), nu onvoldoende is gebleken dat de handelingen vóór 23 oktober 2019 in de toeslagjaren 2019 en 2020 uiting geven aan een onrechtmatig handelen.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter