Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11240

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 december 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A

Hoorzitting: 18 februari 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen twee beschikkingen van 8 december 2022. Het gaat daarbij om de volgende beschikkingen:

  • Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk: UHT-DC-I A;
  • Beschikking herbeoordeling KOT met kenmerk: UHT-DH5 A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2015.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2009 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 12 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2009 tot en met 2015 (hierna: de betrokken jaren) geen sprake geweest is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 8 december 2022 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende medegedeeld dat over de betrokken jaren niet vooringenomen is gehandeld zodat zij geen recht heeft op compensatie.
  • UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 8 december 2022 met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de betrokken jaren geen beroep kan doen op de hardheidsregeling.
  • Gemachtigde heeft met de bezwaarschriften van 13 december 2022 tegen de twee beschikkingen van 8 december 2022 bezwaar gemaakt. Gemachtigde heeft op 14 juni 2024 de bezwaarschriften met nadere gronden aangevuld.
  • UHT heeft op 3 oktober 2024 schriftelijk op de bezwaarschriften gereageerd.
  • Op 18 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Om de voorgaande vraag te beantwoorden zal de Commissie ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Het bezwaardossier;
  • Vooringenomen handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de jaren 2009 tot en met 2015;
  • Toepasselijkheid van de hardheidsregeling over de jaren 2009 tot en met 2015;
  • Proceskostenvergoeding

Het bezwaardossier
Gemachtigde verzoekt om de onderliggende stukken, waaronder het informatie- en beoordelingsformulier.

Op grond van artikel 7:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 5.2, derde en vierde lid van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 8 januari 2025 is naar gemachtigde het bezwaardossier (producties 1 tot en met 112) en de schriftelijke beschouwing van 3 oktober 2024 gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van alle stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen.

De Commissie is van oordeel dat op basis van het bezwaardossier en de schriftelijke beschouwing van UHT voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe tot afwijzing van compensatie of tegemoetkoming is gekomen. Daarmee is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het is de Commissie niet gebleken dat in het bezwaardossier nog relevante stukken zouden ontbreken, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

Vooringenomen handelen van B/T over de jaren 2009 tot en met 2015

Toeslagjaar 2009
Belanghebbende voert aan dat als ingangsdatum van de KOT 1 januari 2009 wordt gehanteerd en dat deze datum mogelijk onjuist is. Door uit te gaan van een onjuiste datum is de terugvordering van KOT te hoog, zodat sprake is van vooringenomen handelen door B/T. In reactie daarop voert UHT aan dat 22 juni 2009 als ingangsdatum voor de KOT is gehanteerd, waarbij de KOT definitief is vastgesteld op € 3.420. Er is over 2009 in totaal 736 uur kinderopvang afgenomen en daarmee komt men uit op 117 uur per maand.

De Commissie maakt uit het bezwaardossier op dat voor de ingangsdatum waarop belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen verschillende data worden gehanteerd, te weten: 1 januari, 22 april en 1, 3 en 22 juni 2009. Voor een juiste vaststelling van de KOT over 2009 is dat echter niet van belang. Uit de verstrekte informatie op het antwoordformulier van 28 augustus 2010 volgt dat belanghebbende 736 uur kinderopvang heeft afgenomen en dat stemt overeen met de informatie uit de KOI-viewer. Uitgaande van de datum 22 juni 2009 komt men hiermee uit op 117 uur per maand (736 uur/6¼ maand). Belanghebbende heeft tegen de definitieve beschikking van 23 mei 2012 geen bezwaar aangetekend.

De Commissie merkt verder op dat voor het vaststellen van de KOT aansluiting is gezocht bij de verstrekte informatie van belanghebbende en de informatie uit de KOI-viewer.

Daarbij gaat de Commissie uit van de stelregel dat B/T (en UHT) mag uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft in bezwaar de opgestelde jaaropgave over 2009 nog ingebracht, waaruit blijkt dat belanghebbende in totaal 736 uur kinderopvang heeft afgenomen. Deze informatie stemt overeen met het voorgaande.

Voor zover belanghebbende zich niet kan vinden in de beschikking van 23 mei 2012, is de Commissie van oordeel dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog een hoger bedrag aan KOT uit te keren of deze in het kader van Wht hier inhoudelijk ter discussie te stellen. De Wht-regeling richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. De Commissie gaat dan ook voorbij aan het bezwaar van belanghebbende indien dat gericht zou zijn tegen de eerder genoemde beschikking.

De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de neerwaartse bijstelling van de KOT niet is ingegeven vanwege vooringenomen handelen door B/T. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende voert aan dat in de jaaropgave over 2010 wordt uitgegaan van 208 uur aan opvang, en dat het urenregistratieformulier van de opvangouder gevolgd dient te worden. Het is voor belanghebbende onduidelijk hoeveel uur er in de KOI-viewer is opgenomen en belanghebbende stelt dat er sprake is van vooringenomenheid indien B/T uitgaat van de informatie uit de KOI-viewer.
In reactie daarop voert UHT aan dat is uitgegaan van de informatie uit de KOI-viewer en dat daarin 104 uur aan kinderopvang is opgenomen. Het maandelijkse urenregistratieformulier is daarbij onvoldoende.

Belanghebbende is in het kader van de bezwaarprocedure gevraagd om de jaaropgave, betaalbewijzen en contracten te verstrekken. Deze informatie is niet ontvangen, zodat B/T de KOT kon baseren op de KOI-viewer.

De Commissie stelt vast dat de kinderopvang over 2010 gebaseerd is op informatie uit de KOI-viewer, waaruit bleek dat er 104 uur kinderopvang is afgenomen. In de beschikking van 9 oktober 2013 is de hoogte van de KOT neerwaarts bijgesteld van € 7.538 naar € 485 en wordt uitgegaan van 104 uur. De Commissie meent dat B/T in deze situatie mocht uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer vanwege het ontbreken van contra-indicaties. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de beschikking van 9 oktober 2013 en in de bezwaarprocedure heeft belanghebbende geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat deze informatie onjuist zou zijn. In deze procedure is nadrukkelijk gevraagd om kopieën van het contract, de jaaropgave en de betalingsbewijzen. B/T heeft deze informatie niet ontvangen, zodat met de beslissing op bezwaar van 16 januari 2014 het bezwaarschrift van belanghebbende ongegrond is verklaard. Belanghebbende heeft tegen de beslissing op bezwaar geen beroep aangetekend, zodat de inhoud daarvan vast is komen te staan. De Commissie gaat voorbij aan het bezwaar van belanghebbende indien dat gericht zou zijn tegen de beslissing op bezwaar van 16 januari 2014.

Overigens is het de Commissie onduidelijk, en gaat hier ook aan voorbij, waarom belanghebbende de jaaropgave van 2010, die is opgesteld op 22 december 2022, niet eerder naar B/T heeft gestuurd.

De Commissie ziet in de handelwijze van B/T geen vooringenomen handelen, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat B/T de KOT voor 2011 ten onrechte heeft vastgesteld op basis van de informatie uit de KOI-viewer en dat dit afwijkt van het aantal uren zoals dat is opgenomen in het informatie- en beoordelingsformulier. B/T is bewust uitgegaan van een lager aantal uren en dat is vooringenomen handelen. UHT stelt dat voor het vaststellen van de KOT is uitgegaan van 116 uur en daarbij is uitgegaan van de KOI-viewer. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het maximum uurtarief van € 5,09 en is uitgaan van € 5,23 zoals dat blijkt uit de KOI-viewer niet mogelijk.

De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat de KOT met de beschikking van 25 februari 2014 definitief neerwaarts is bijgesteld van € 7.269 naar € 6.018 en dat deze verlaging het gevolg is van een bijstelling van het aantal uren van 138 naar 116 uur per maand. Deze verlaging volgt uit de informatie uit de KOI-viewer. De Commissie heeft in de stukken geen informatie aangetroffen waaruit blijkt dat over geheel 2011 meer opvang is afgenomen. Belanghebbende heeft op 4 november 2011 wel een urenregistratieformulier over de maand september 2011 naar B/T gestuurd waaruit blijkt dat 144 uur kinderopvang is afgenomen bij gastouderbureau. Belanghebbende heeft tegen de beschikking van 25 februari 2014 geen bezwaar aangetekend. Ook is geen andersluidende informatie naar B/T gestuurd waaruit blijkt dat uitgaan van de KOI-viewer in deze situatie onjuist is. Dat B/T uitgaat van een maximering van het uurtarief van € 5,09 voor de gastouderopvang op grond van artikel 4, eerste lid onder c van het Besluit Kinderopvangtoeslag acht de Commissie juist.

Voor zover belanghebbende bezwaar wenst te maken tegen de beschikking van
25 februari 2014 gaat de Commissie hieraan voorbij, zoals dat onder het kopje “toeslagjaar 2009” is uitgelegd. De Commissie gaat ook voorbij aan de jaaropgave van 2011 die op 22 december 2022 is opgesteld.

De Commissie ziet in de handelwijze van B/T geen vooringenomen handelen, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

Toeslagjaren 2012 tot en met 2015
Belanghebbende stelt dat er over de jaren 2012 tot en met 2015 kinderopvang heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft hierover informatie naar B/T gestuurd, maar hier is niets mee gedaan. Door niet nader in te gaan op de informatie, is er sprake van vooringenomen handelen. In reactie daarop voert UHT aan dat belanghebbende in de bezwaarprocedures tegen de nihilstellingen van de KOT niet de gevraagde informatie heeft aangeleverd. B/T heeft verzocht om de volgende informatie: jaaropgave, jaarcontract en betalingsbewijzen. Belanghebbende heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben om deze informatie te kunnen aanleveren, maar heeft de verzochte informatie vervolgens niet meer verstrekt. Wel heeft belanghebbende andere informatie naar B/T gestuurd. Op het antwoordformulier van 27 november 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat er vanaf 2015 geen kinderopvang meer is afgenomen. Uit de KOT contra-informatie blijkt niet dat er over de jaren 2012 tot en met 2015 kinderopvang is afgenomen. B/T heeft hieruit de conclusie getrokken dat er over deze jaren geen kinderopvang heeft plaatsgevonden. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende evident geen recht op KOT en daarom ook geen recht op compensatie.

Met betrekking tot toeslagjaar 2012 merkt de Commissie op dat voorafgaand aan de stopbrief van 18 mei 2015 geen informatieverzoeken van B/T in de systemen zijn aangetroffen en dus ook geen rappelbrief. Daaropvolgend is de beschikking van 31 juli 2015 om de KOT voor 2012 op nihil te stellen naar belanghebbende gestuurd. De Commissie meent dat een dergelijke gang van zaken in beginsel een aanwijzing is dat belanghebbende vooringenomen is behandeld. Hoe de Commissie hiermee verder omgaat, wordt verderop uitgelegd.

De Commissie merkt verder op dat voorafgaand aan de stopbrief van 20 april 2015 over toeslagjaar 2013 B/T tweemaal heeft verzocht om de jaaropgave, facturen en de bankafschriften. Het gaat daarbij om de brieven van 4 november en 15 december 2014. Belanghebbende heeft deze informatie niet naar B/T gestuurd.
Op 11 september 2015 volgde de beschikking tot nihilstelling over 2013, zodat het bezwaarschrift van belanghebbende gericht tegen de stopbrief wordt geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking van 11 september 2015. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over 2013 door B/T niet vooringenomen is behandeld.

Uit de onderliggende stukken over toeslagjaar 2014 is het de Commissie gebleken dat de KOT bij voorschotbeschikking van 5 juni 2015 op nihil is gesteld en dat B/T zich daarbij heeft gebaseerd op het antwoordformulier “kinderopvangtoeslag 2014”. Op dit formulier heeft belanghebbende op de eerste pagina uitgelegd dat gebruik is gemaakt van kinderopvang. Op de tweede pagina vult zij vervolgens in dat over geheel 2014 0 uur aan kinderopvang is geweest. B/T heeft in de KOI-viewer geen informatie aangetroffen waaruit blijkt dat er wel kinderopvang is afgenomen. De Commissie is dan ook van oordeel dat B/T mocht vertrouwen op het antwoordformulier in combinatie met de KOI-viewer, zodat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende vooringenomen is behandeld.

De Commissie maakt met betrekking tot toeslagjaar 2015 uit de onderliggende stukken op dat de beschikking van 21 mei 2015 om de KOT op nihil te stellen, gebaseerd is op een interne melding van 13 mei 2015. Deze melding om de KOT vanaf 1 januari 2012 stop te zetten is het gevolg van de twee informatieverzoeken van 4 november en 15 december 2014 die zien op toeslagjaar 2013. Dat B/T voorafgaand aan de nihilstelling over 2015 geen uitvraagbrieven heeft gestuurd,
is in de ogen van de Commissie eveneens een aanwijzing dat belanghebbende vooringenomen is behandeld.

De Commissie legt hierna uit hoe met de aanwijzing dat belanghebbende over de jaren 2012 en 2015 mogelijk vooringenomen is behandeld, wordt omgegaan.

De Commissie ziet in het bezwaardossier dat B/T de KOT over de jaren 2012 tot en met 2015 heeft stopgezet en dat belanghebbende tegen de stopzetting en nihilstelling bezwaar heeft aangetekend. B/T heeft deze bezwaarprocedures gecombineerd behandeld en tijdens de bezwaarprocedure drie brieven gestuurd op: 15 september, 19 oktober en 9 november 2015. In deze brieven wordt om het volgende gevraagd:

  • Opvangcontracten over de periode 1 januari 2012 tot en met het einde van de opvangperiode;
  • Jaaropgaven over de jaren 2012 tot en met 2015;
  • Loonstroken van alle gewerkte maanden.

In het bezwaardossier heeft de Commissie geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat belanghebbende aan het verzoek van B/T heeft voldaan. Tijdens de bezwaarprocedure heeft belanghebbende benadrukt dat zij niet aan het verzoek kon voldoen omdat zij de gevraagde informatie nog moest opzoeken. Belanghebbende heeft in de bezwaarprocedure het vonnis van de rechtbank Rotterdam ingebracht. Het vonnis ziet op de schuldsaneringsregeling waarbij is uitgesproken dat de regeling eindigt vanaf 1 januari 2014 en dat aan belanghebbende een zogenaamde “schone lei” is verleend.

Hoewel de beslissing op bezwaar over 2013 niet meer in de systemen van B/T is te achterhalen, kent de Commissie niet het gewicht toe dat belanghebbende daar kennelijk aan hecht. De Commissie ziet in de afhandeling van de bezwaarprocedure van de jaren 2012, 2014 en 2015 een gelijkenis met de situatie die speelt over 2013. Het is dan ook zeer aannemelijk dat ook deze bezwaarprocedure kennelijk ongegrond is afgehandeld.

Dat de beslissing op bezwaar ontbreekt, acht de Commissie niet vooringenomen voor zover deze conclusie van belang is.

De Commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2015 niet institutioneel vooringenomen is behandeld.

De Commissie constateert dat belanghebbende haar stelling dat er over de jaren 2012 tot en met 2015 wel geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden, niet aannemelijk

heeft gemaakt met nadere stukken in de bezwaarprocedures. Uit de KOT contra-informatie blijkt niet dat er over deze jaren kinderopvang heeft plaatsgevonden.
In aanvulling daarop heeft belanghebbende op het antwoordformulier van
9 september 2015 met betrekking tot 2014 zelf nog verklaard dat er in totaal 0 uur aan kinderopvang is afgenomen. Met betrekking tot 2015 maakt belanghebbende, op het aanvullende informatieformulier van 27 november 2015, melding dat zij vanaf 2015 geen kinderopvang meer heeft afgenomen. De Commissie kan zich met het standpunt van UHT verenigen dat belanghebbende over 2012 tot en met 2015 evident geen recht heeft op KOT. Belanghebbende komt alleen daarom niet in aanmerking voor compensatie.

De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2015 niet vooringenomen is behandeld en evident geen recht heeft op KOT. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Toepasselijkheid van de hardheidsregeling over de jaren 2009 tot en met 2015
De Commissie ziet in de omstandigheden zoals die hebben plaatsgevonden bij belanghebbende geen aanleiding om uit te gaan van bijzondere omstandigheden. De Commissie heeft daarbij in essentie overwogen dat B/T in beginsel mag uitgaan van informatie uit de KOI-viewer, tenzij er sprake is van contra-indicaties.
Een beroep op de hardheidsregeling is dan niet aan de orde. Ook is de Commissie van oordeel dat bij het niet juist en volledig informeren van B/T een beroep op de hardheidsregeling eveneens niet openstaat. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaarschriften ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter