BAC 2023-12711
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 maart 2023 (UHT-DCH)
Ontvangst bezwaarschrift: [dd-mm-jj]
Hoorzitting: 11 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag € 12.802 voor toeslagjaar 2010. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft voor dit toeslagjaar fouten gemaakt bij de beoordeling van de KOT. Het bedrag is op grond van de Catshuis-regeling aangevuld tot € 30.000. Compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013 is afgewezen.
Procesverloop
- Op 17 maart 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de toeslagjaren 2006 tot en met 2013.
- Op 28 december 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013.
- Op 13 februari 2023 heeft UHT met een vooraankondiging het voorlopige compensatiebedrag voor toeslagjaar 2010 bepaald op € 12.765.
- Op 20 maart 2023 heeft gemachtigde een zienswijze ingediend.
- Op 22 maart 2023 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor toeslagjaar 2010 vastgesteld op € 12.802. Compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013 is afgewezen.
- Op 17 april 2023 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 19 augustus 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 11 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Naar aanleiding van de hoorzitting heeft belanghebbende nadere stukken overgelegd. Op 24 februari 2025 heeft UHT hier met een aanvullende beschouwing op gereageerd. Op 26 februari 2025 heeft belanghebbende nog enkele stukken toegestuurd. UHT heeft op 3 maart 2025 aangegeven dat ook deze stukken het standpunt van UHT niet doen wijzigen.
- De Commissie bestaande uit prof. mr. L.G. Verburg (voorzitter), mr. B.W.J.M. de Roy van Zuidewijn en dr. mr. F.J. van der Vaart (leden), heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013 terecht heeft afgewezen.
Compensatieberekening toeslag}aar 2010
Gemachtigde voert aan dat de vooraankondiging aan belanghebbende is toegestuurd, terwijl bekend was dat gemachtigde belanghebbende bijstaat. Daarnaast is belanghebbende niet gecompenseerd voor de kosten voor rechtsbijstand die zij heeft gemaakt en klopt de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding niet.
De Commissie merkt op dat UHT in haar schriftelijke reactie en tijdens de hoorzitting uitgebreid uiteen heeft gezet hoe de compensatieberekening is opgebouwd. UHT heeft daarbij tevens de relevante stukken overgelegd.
Hieruit blijkt onder andere dat een onjuiste aanvangs- en einddatum van de immateriële schadevergoeding is gehanteerd (component n van de compensatie-berekening). De aanvangsdatum had eigenlijk later moeten zijn, te weten
6 december 2012 in plaats van 21 november 2012 en de einddatum moet
22 maart 2023 zijn (datum beschikking). Omdat belanghebbende voor het gecompenseerde toeslagjaar 2010 geen gebruik heeft gemaakt van rechtsbijstand, bestaat hiervoor dan ook geen aanspraak op compensatie.
Daarnaast stelt UHT dat door het hanteren van een onjuiste aanvangs- en einddatum een onjuist bedrag aan de rentevergoeding over de gemiste KOT (component o van de compensatieberekening) is berekend. Dat had € 3.466 moeten zijn in plaats van € 3.171. UHT acht het bezwaar op deze punten gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar en de aanvullende vergoeding van 1% (component p van de compensatieberekening) berekenen over het nieuwe bedrag. Omdat deze aanpassingen niet leiden tot een overschrijding van het reeds op grond van de Catshuisregeling uitgekeerde bedrag van € 30.000, volgt geen nabetaling.
De Commissie adviseert UHT om aan deze toezeggingen gevolg te geven en de compensatieberekening aan te passen. UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting en de overige producties, de compensatieberekening en het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen.
Met betrekking tot de vooraankondiging die aan belanghebbende is gestuurd en niet aan gemachtigde, overweegt de Commissie dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, gemachtigde op 20 maart 2023 een zienswijze heeft ingediend en belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013
Met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren stelt gemachtigde dat belanghebbende in 2006 wel opvang heeft afgenomen. In 2007 heeft belanghebbende eerder KOT aangevraagd dan dat UHT stelt. In 2011 heeft belanghebbende nimmer zelf aangegeven minder opvanguren af te hebben genomen in dat jaar. Daarnaast werd de KOT in 2011 rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling overgemaakt maar bij belanghebbende teruggevorderd.
In toeslagjaar 2013 heeft belanghebbende de KOT niet zelf stopgezet.
Naar aanleiding van de hoorzitting heeft belanghebbende nog enkele stukken ingebracht.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wet hersteloperatie toeslagen, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
In het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier (productie 72 bezwaardossier) is voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013 uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. Het betreffen allen reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren, de hoogte van het toetsingsinkomen dan wel het stopzetten van kinderopvang. In 2006 is geen KOT aangevraagd en daarom is geen KOT toegekend noch teruggevorderd. In 2007 is geen sprake geweest van een neerwaartse correctie en ook geen KOT teruggevorderd. In 2008 is de KOT opwaarts gecorrigeerd en geen KOT teruggevorderd. In 2009 is de KOT neerwaarts bijgesteld nadat belanghebbende heeft doorgegeven minder opvanguren af te nemen. Op 1 januari 2009 bereikte haar oudste zoon de schoolgaande leeftijd van vier jaar oud. In 2011 is de KOT neerwaarts bijgesteld omdat door belanghebbende is doorgegeven dat er minder opvanguren werden afgenomen (productie 76). De KOT werd dat jaar inderdaad rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzicht) blijkt dat er echter geen KOT is teruggevorderd bij belanghebbende. In 2012 heeft er geen neerwaartse correctie plaatsgevonden en is ook geen KOT teruggevorderd. In 2013 is de KOT neerwaarts bijgesteld omdat belanghebbende heeft doorgegeven dat er minder opvanguren werden afgenomen (productie 77). Vervolgens heeft belanghebbende de KOT per 16 juli 2013 stopgezet (productie 78). Uiteindelijk is de KOT op basis van informatie van de kinderopvanginstelling nogmaals neerwaarts bijgesteld (productie 79).
Er bleken minder opvanguren te zijn afgenomen dan in eerste instantie was doorgegeven. De KOT was uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en teruggevorderd bij belanghebbende. Uit het LIC-overzicht van 2013 blijkt dat in totaal € 1.142 is teruggevorderd. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier.
In een aanvullende reactie heeft UHT aangegeven dat de na de hoorzitting door belanghebbende ingebrachte stukken onvoldoende aannemelijk maken dat belanghebbende in 2006 KOT heeft aangevraagd. Daarom kan geen sprake zijn van vooringenomen handelen of hardheid voor toeslagjaar 2006. De Commissie oordeelt dat deze zienswijze van UHT goed navolgbaar is.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie heeft in de stukken die door belanghebbende zijn ingebracht geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de aanvullende beschouwing en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.
De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaarschrift deels gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter