BAC 2023-11180
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 januari 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 31 januari 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 12 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 20 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 5.933,- voor het jaar 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010. Na overleg tussen belanghebbende, zijn advocaat en UHT is besloten de herbeoordeling te beperken tot het jaar 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 17 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is op de periode november en december van toeslagjaar 2009.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 5.933,- voor toeslagjaar 2009, wegens vooringenomenheid. Dit bedrag is vervolgens aangevuld tot € 30.000,.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2023, ingekomen op 27 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 oktober 2023, ingekomen op 27 oktober 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 29 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 31 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2009 op de juiste wijze heeft berekend.
Vooraankondiging
Belanghebbende heeft bezwaren geuit omdat hij destijds geen vooraankondiging heeft ontvangen en dientengevolge niet in staat was toentertijd zijn zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om zijn bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Deze tekortkoming is daarmee hersteld.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat hij niet beschikt over zijn persoonlijke dossier.
De Commissie overweegt daaromtrent als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken aan gemachtigde ter beschikking stellen. De schriftelijke beschouwing van UHT is vergezeld gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze, op de zaak betrekking hebbende stukken, zijn aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde “persoonlijk dossier” niet samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hier zij ten overvloede opgemerkt dat UHT heeft bevestigd dat het verzoek tot verstrekking van het persoonlijk dossier, ingediend op 2 september 2021, momenteel bij haar in behandeling is.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2009
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over het toeslagjaar 2009 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht, een bedrag van
€ 5.933,- toegekend voor de periode van 16 maart 2009 tot en met 31 oktober 2009.
Ter zitting heeft UHT vastgesteld dat onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) onjuist is berekend en zal worden gewijzigd naar € 1.435,-. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel derhalve gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT om, in lijn met het beleid van UHT in gevallen waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Daarnaast adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal (onderdeel p) in de compensatieberekening eveneens aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Hoewel de Commissie adviseert om het bedrag van de al toegekende compensatie aan te passen, zal dit slechts leiden tot een extra uitbetaling aan belanghebbende, indien en voor zover het totaal door belanghebbende te ontvangen bedrag het eerder uitgekeerde bedrag van € 30.000,- overschrijdt.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en ook onvoldoende is gemotiveerd.
Discriminatie
Belanghebbende stelt dat er in zijn geval sprake is geweest van discriminatie.
Hij wijst daarbij op het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College), waaruit blijkt dat Toeslagenouders met een buitenlandse afkomst vaker door de Belastingdienst zijn gecontroleerd. Dit onderzoek wordt door belanghebbende aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt.
Hoewel het onderzoek van het College aanwijzingen bevat over een bredere praktijk van mogelijke discriminatie door de Belastingdienst, kan het door belanghebbende aangevoerde vermoeden dat ook in zijn specifieke geval sprake is geweest van discriminatie, in een procedure als de onderhavige, waarin alleen het jaar 2009 voorwerp van discussie is en in welk jaar belanghebbende als gedupeerde is aangemerkt - en in aanmerking is gebracht voor de meest ruimhartige forfaitaire herstelmaatregel - reeds hierom niet tot het door hem gewenste resultaat leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV, overweegt de Commissie met betrekking tot een vergoeding van de proceskosten het navolgende. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden die kosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid van de Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wellicht niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde
€ 30.000,-. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging die rechtsgevolg heeft. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 20 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de, ingevolge de Wht samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter