BAC 2023-11179
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 december 2022 (UHT-DCHA)
Overdracht advies aan UHT: 20 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014. Belanghebbende heeft op 5 oktober 2021 het verzoek uitgebreid naar de jaren 2015 t/m 2020. Vervolgens heeft UHT beschikt over de jaren 2013 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft op 12 december 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de omvang van de herbeoordelingsperiode.
- UHT heeft op 18 juni 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
- Gemachtigde heeft op 18 september 2025 het bezwaar schriftelijk aangevuld en erin bewilligd dat de zaak op de stukken wordt afgedaan.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2013 en 2014 af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt.
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaar 2013
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde stukken blijkt van een neerwaartse correctie op 6 januari 2015 over het toeslagjaar 2013. Die neerwaartse correctie was gelegen in de vaststelling van het gezamenlijk toetsingsinkomen op een hoger bedrag dan het bedrag waar bij de vaststelling van de voorschot beschikking was uitgegaan. Belanghebbende had meer KOT ontvangen dan waarop zij recht had. De KOT is naar aanleiding hiervan verlaagd en teruggevorderd. Belanghebbende heeft niet betwist dat deze verlaging op goede gronden geschiedde. De wijziging is conform de wet doorgevoerd. De Commissie is daarom van oordeel dat over het toeslagjaar 2013 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij over het toeslagjaar 2014 in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomen handelen. Belanghebbende voert aan dat zij de KOT zelf tijdig heeft stopgezet (met ingang van 13 april 2014) en desondanks is geconfronteerd met terugvorderingen. Daarnaast stelt belanghebbende dat de gevolgen van de terugvorderingen niet in verhouding stonden tot de situatie waarin zij verkeerde en dat daardoor sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Commissie oordeelt als volgt.
Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat over het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van twee neerwaartse correcties. De eerste neerwaartse correctie dateert van 22 april 2014 en was gebaseerd op de stopzetting van de KOT per 13 april 2014 door belanghebbende zelf. Het toegekende voorschot is toen verlaagd (tot het bedrag waarop belanghebbende recht had over de periode 1 januari tot
13 april 2014). De tweede neerwaartse correctie dateert van 7 januari 2016 en was gebaseerd op informatie van de kinderopvanginstelling. Uit de KOI-viewer bleek dat sprake was van een lager aantal afgenomen opvanguren, dan door belanghebbende was opgegeven. Voorts was sprake van een verhoging van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft niet betwist dat zij minder opvanguren heeft afgenomen dan was voorzien en dat het gezamenlijk toetsingsinkomen is verhoogd.
Uit het LIC-overzicht (p.157 van het dossier) blijkt dat de KOT over toeslagjaar 2014 rechtstreeks aan belanghebbende werd uitbetaald en vervolgens bij haar is teruggevorderd via verrekeningen met nog niet-uitbetaalde KOT en huurtoeslag. De verrekeningen bedroegen respectievelijk € 455 (naar aanleiding van de stopzetting in april 2014) en € 602 (de verrekening in januari 2016). Deze verrekeningen waren op zichzelf niet onjuist. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de bevoegdheid om te verrekenen met nog niet uitbetaalde toeslagen (artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze bevoegdheid is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, noch dat deze verrekeningen onevenredig waren in verhouding tot de gevolgen die belanghebbende daarvan heeft ondervonden. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie dus geen sprake van strijd met het verbod van détournement de pouvoir, noch met het evenredigheidsbeginsel.
De Commissie overweegt voorts dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De genoemde bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter