BAC 2022-11126
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 november 2022 (UHT-DC-IA en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 17 juni 2025 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 juni 2025 om 15:00 uur
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 4 november 2022 met de kenmerken UHT-DC-IA en UHT-DH5 A (hierna: bestreden beschikkingen).
In de bestreden beschikkingen heeft UHT vastgesteld dat belanghebbende geen recht heeft op een compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.st
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 5 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de betrokken toeslagjaren.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2022, ingekomen op 15 november 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 maart 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 24 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 17 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier / ouderdossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is digitaal aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten.
Dat belanghebbende de noodzaak voelt om het ouderdossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om, zoals UHT ook ter zitting heeft toegezegd, het ouderdossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier en/of ouderdossier van belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe de bestreden beschikkingen tot stand zijn gekomen.
Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het besluit niet voldoende zorgvuldig is genomen en onvoldoende is gemotiveerd.
De Commissie overweegt dat met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitleg met behulp van de Landelijke
Incasso Centrum (LIC) overzichten - in ieder geval geen sprake is van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Met wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen zijn immers eventuele gebreken in een eerder stadium gerepareerd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vooraankondiging en zienswijze
Belanghebbende stelt dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Daarnaast heeft UHT in de schriftelijke beschouwing nader uiteengezet dat gemachtigde meermaals is benaderd in deze fase. Omdat verder niet is toegelicht welk concreet nadeel belanghebbende heeft gehad, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen, omdat de definitieve KOT-beschikkingen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen en dat belanghebbende daarom recht heeft op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts het standpunt van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vastgestelde KOT
Gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat belanghebbende in de problemen is geraakt doordat zij over de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 te weinig KOT toegekend heeft gekregen. B/T zou de KOT over deze periode niet juist hebben berekend.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie van opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen.
Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de betrokken toeslagjaren zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2010, 2011 en 2012
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid over de genoemde toeslagjaren. Zij heeft veel ellende ondervonden in deze periode.
De Commissie overweegt dat, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie begrijpt het persoonlijk verhaal van betrokkene, maar zij ziet in het bezwaar geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen.
Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS over deze toeslagjaren zodat ook dit niet kan leiden tot compensatie.
De Commissie onderschrijft met het voorgaande het standpunt van UHT zoals is uiteengezet in de schriftelijke reactie en tijdens de hoorzitting nader is toegelicht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat de beoordeling over toeslagjaar 2013 niet correct is en dat zij recht heeft op compensatie.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van een stopzetting of verlaging van de KOT over toeslagjaar 2013. De Commissie gaat hierbij uit van het LIC-overzicht waaruit met betrekking tot toeslagjaar 2013 slechts blijkt van een toekenning van de KOT zonder dat enig terugvordering heeft plaatsgevonden. Uit het bezwaar is niet gebleken van aanknopingspunten waaruit blijkt dat belanghebbende over dit jaar als gedupeerde aangemerkt kan worden. De Commissie onderschrijft hiermee het standpunt van UHT zoals dat is weergegeven in de schriftelijke reactie en nader is toegelicht ter zitting. Om deze reden adviseert de Commissie het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij over heel 2014 opvang heeft afgenomen en dat zij gedupeerde is over deze periode. Zij stelt dat zij recht heeft op compensatie.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de neerwaartse correcties zijn doorgevoerd op grond van reguliere correcties die door belanghebbende zelf zijn doorgegeven. Daarnaast volgt uit productie 38 uit het dossier dat de KOT op verzoek van belanghebbende met ingang van 26 juni 2014 gestopt. Er is niet gebleken van een aanvraag voor kinderopvang over de tweede helft van 2014. Uit het bezwaar volgen geen omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. De Commissie acht de toelichting van UHT in de schriftelijke reactie en ter zitting navolgbaar. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet/ verrekenen
Belanghebbende stelt dat zij, gelet op het LIC-overzicht op pagina 221 van het dossier, een betalingsregeling had. Desondanks heeft B/T de KOT van 2012, 2013 en 2014 verrekend. Door deze handelswijze is er sprake van vooringenomenheid dan wel hardheid.
De Commissie overweegt dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot
1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb jo. 475c onderdeel j Rv tot 1 januari 2021 geen beslagvrije voet van toepassing was. Bij de wettelijke regeling vanaf
1 januari 2021 worden de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. Hieruit volgt dat de regeling van de beslagvrije voet zowel voor als na genoemde datum geen belemmering oplevert voor het leggen van beslag op of verrekenen van de KOT.
De Commissie overweegt dat uit het LIC-overzicht, waarnaar is verwezen, onvoldoende is gebleken van een betalingsregeling die door belanghebbende werd nagekomen op grond waarvan B/T niet mocht verrekenen. Op basis van de haar nu bekende feiten en omstandigheden, ziet de Commissie geen aanleiding om hierin vooringenomenheid of hardheid van de zijde van de B/T aan te nemen.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
HOTHOR
Gemachtigde stelt dat uit het RKT-bestand blijkt dat het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico – is toegevoegd.
In zijn algemeenheid merkt de Commissie het volgende op. HOTHOR is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, geautomatiseerd wordt toegevoegd in situaties waarin sprake is van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen.
Dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terugvorderingen.
Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld.
Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet een doorslaggevend bevestigend antwoord op. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende, gelet op de andere feiten en omstandigheden, als gevolg van de HOTHOR-vermelding sprake is van institutionele vooringenomenheid.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Fraude Signalering Voorziening-lijst en discriminatie
Gemachtigde stelt dat de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende niet op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst) was opgenomen, ontbreekt. Voorts is bij de beoordeling van de schadevergoeding geen rekening gehouden met de gevolgen van discriminatie voor belanghebbende.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan van de stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijk dossier’ evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van het FSV-onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen, buiten de beoordeling van compensatie die tot de bevoegdheid van de commissie behoort, niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
De Commissie overweegt dat tijdens de hoorzitting de wijze van vaststelling van de O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar pagina 34 in het dossier, waarin slechts de vaststelling van ‘geen O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. Als er nadere informatie hieromtrent beschikbaar is, dan is het begrijpelijk dat belanghebbende daar behoefte aan heeft.
De Commissie adviseert daarom dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een begrijpelijke toelichting geeft over de wijze waarop de O/GS-vaststelling heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter