BAC 2022-11063
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 september 2021 met kenmerk UHT-DC-I A en 21 december 2021 met kenmerk UHT-DC I
Hoorzitting: 29 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 8 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proces-kostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen twee door UHT genomen beschikkingen. Het betreft de volgende beschikkingen:
- De definitieve beschikking tot afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag van 22 september 2021, met kenmerk UHT-DC-I A;
- De definitieve beschikking inzake compensatie KOT van 21 december 2021,
met kenmerk UHT-DC I.
Aan belanghebbende is, met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904), een compensatiebedrag vastgesteld van € 27.055. Vervolgens is het forfaitaire bedrag van € 30.000 uitgekeerd voor de jaren 2009 tot en met 2012. Voor de jaren 2008 en 2013 tot en met 2015 is geen compensatie toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 maart 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2020. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek tot herbeoordeling aangepast naar de jaren 2008 tot en met 2015.
- UHT heeft bij vooraankondiging het compensatiebedrag voorlopig vastgesteld op € 25.764 en aan belanghebbende het forfaitaire bedrag van € 30.000 toegekend. Deze compensatie ziet op de jaren 2009 tot en met 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 maart 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de jaren 2008 en 2013 tot en met 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. De compensatieregeling is voor de jaren 2009 tot en met 2012 wél van toepassing.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 22 september 2021, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 en 2013 tot en met 2015.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 21 december 2021, met kenmerk
- UHT-DC I, het compensatiebedrag definitief vastgesteld op € 27.055 voor de jaren 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 november 2022 tegen beide beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 oktober 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 25 juli 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Op 29 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat als bijlage bij het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal allereerst ingaan op de bezwaren van belanghebbende die betrekking hebben op de onderliggende stukken, het motiveringsbeginsel en strijd met artikel 6 EVRM en het beginsel van “equality of arms”.
De onderliggende stukken
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over het volledig dossier. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de Landelijke Incasso Centrum overzichten (hierna: LIC-overzichten), in ieder geval aan gemachtigde ter beschikking stellen. De Commissie stelt vast dat gemachtigde op 10 juni 2025 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot een gedeeltelijke toekenning en afwijzing van compensatie is gekomen. De bestreden beschikkingen zijn daarbij in strijd met het motiveringsbeginsel genomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikkingen weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van de beschouwing van 17 oktober 2024, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC- overzichten, SAS-overzichten en overige producties, de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd. Deze stukken maken ook onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Strijd met artikel 6 EVRM en het beginsel van “equality of arms”
Belanghebbende stelt dat niet voldaan is aan het "equality of arms"-beginsel volgens artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet het volledige dossier heeft.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zoals eerder opgemerkt zijn de onderliggende stukken in de vorm van een bezwaardossier naar gemachtigde verstuurd. Deze bezwaarprocedure is door de Commissie beoordeeld en er heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het bijzijn van belanghebbende en UHT. In de procedure is er dan ook sprake geweest van gelijkwaardige behandeling van partijen. De bezwaargrond treft dan ook geen doel.
De Commissie zal nu verder inhoudelijk ingaan op de beschikking van 21 december 2021 waarin de compensatieberekening ter discussie staat.
De compensatieberekening
De Commissie stelt vast dat UHT met de aanvullende beschouwing van 25 juli 2025 diverse componenten over de jaren 2009, 2010 en 2012 heeft gewijzigd die voor belanghebbende niet nadelig uitpakt. De Commissie kan zich dan ook met deze aanpassingen verenigen, en zal de wijzigingen opsommen:
Voor toeslagjaar 2010 wordt component a gewijzigd van € 16.137 naar € 15.741 en wordt component b op nihil gesteld. Component c bedraagt hierdoor € 15.741.
Component d wordt aangepast naar € 14.834 en component f wordt door wijziging van component c vastgesteld op € 3.935.
Voor toeslagjaar 2011 is de hoogte van de kosten en rente € 196. Het is de Commissie opgevallen dat in de oorspronkelijke compensatieberekening het eerdergenoemde bedrag is opgenomen en dat in de aanvullende beschouwing van 25 juli 2025 en de bijlage compensatieberekening deze component niet meer is opgenomen. Tijdens de hoorzitting heeft UHT benadrukt dat voor toeslagjaar 2009 en 2011 deze bedragen als volgt luiden: € 16 en € 196. De Commissie kan zich, gelet op de LIC-overzichten van deze jaren, daarin vinden.
Voor toeslagjaar 2012 wordt component a gewijzigd naar € 5.165 en daardoor wordt component c € 516. Component f wordt door wijziging van component c vastgesteld op € 129.
Vanwege de hiervoor genoemde aanpassingen van de diverse componenten is het bezwaar gegrond.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting aangegeven destijds bezwaar te hebben gemaakt tegen beslissingen van B/T en daarbij juridische hulp te hebben gekregen. UHT heeft hierop gereageerd dat hiermee geen rekening is gehouden. Bij de verdere afhandeling van het bezwaar zal hier alsnog, voor zover dit speelt, rekening mee worden gehouden.
De Commissie adviseert UHT deze toezegging gestand te doen.
Rentevergoeding voor gemiste KOT
UHT heeft de rentevergoeding voor de gemiste KOT opnieuw berekend en is daarbij uitgegaan van het volgende wettelijke kader:
Op grond van artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), wordt rente vergoed over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van een neerwaartse correctiebeschikking.
Deze rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctie-besluiten, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 25 juli 2025 toegelicht dat voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2012 de rentevergoeding gemiste KOT niet juist is en dat deze bedragen moeten worden aangepast naar: € 7.171, € 8.346 en € 253.
De Commissie kan zich met het gewijzigd standpunt van UHT deels verenigen.
De Commissie is van oordeel dat de rentevergoeding voor de gemiste KOT over de jaren 2010 en 2012 nu doorloopt tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt afgegeven. De reden hiervoor is dat component a over deze jaren wordt aangepast. De rentevergoeding voor gemiste KOT voor 2009 wordt aangepast naar € 7.171.
Vergoeding voor de immateriële schade
In artikel 2.3, vierde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is bepaald dat voor de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade moet worden uitgegaan van de datum van de eerste neerwaartse correctiebeschikking.
De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT om als startdatum 24 december 2010 aan te houden, zijnde de datum van de eerste stopbrief.
Aangezien het bezwaarschrift van belanghebbende gegrond wordt verklaard, loopt de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade door tot de datum van de beslissing op bezwaar. Door de hiervoor genoemde diverse aanpassingen zal de aanvullende vergoeding van 1% eveneens wijzigingen.
Gelet op het voorgaande verklaart de Commissie het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 21 december 2021 gedeeltelijk gegrond.
Ten aanzien van de beschikking van 22 september 2021
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 22 september 2021, maar heeft in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting geen inhoudelijke gronden aangevoerd ter onderbouwing van het bezwaar. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de bestreden beschikking onjuist is, zodat het bezwaar als ongegrond wordt aangemerkt.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samenvattend adviseert de Commissie:
- Het bezwaar tegen de beschikking van 22 september 2021 ongegrond te verklaren.
- Het bezwaar tegen de beschikking van 21 december 2021 gedeeltelijk gegrond te verklaren, en in de compensatieberekening uit te gaan van het volgende: Voor het toeslagjaar 2009 de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen naar € 7.171. Voor het toeslagjaar 2010 component a te wijzigen in € 15.741, component b in € 0, en component d in € 14.834.
Voor het toeslagjaar 2012 component a te wijzigen naar € 5.165. Voor het toeslagjaar 2011 component g uit te blijven gaan van € 196. - In de berekening rekening te houden met de vergoeding juridische hulp, component k, door na te gaan of belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2012 gebruik geeft gemaakt van juridische rechtshulp.
- In de berekening voor de toeslagjaren 2010 en 2012 de rentevergoeding voor gemiste KOT (component m) te baseren op de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt afgegeven.
- Voor de vergoeding van immateriële schade uit te gaan van 24 december 2010 als startdatum, en deze door te laten lopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.
- De aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) opnieuw te berekenen.
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter