Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12675

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 februari 2023 (UHT DCHA)

Hoorzitting: 21 oktober 2024 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 28 februari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren een geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 februari 2023 met kenmerk UHT DCHA (hierna: bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2015 en 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2015 en de jaren 2017 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2015 en de jaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 mei 2023 het bezwaarschrift met gronden aangevuld. Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2023 een verzoekschrift ingediend, gericht aan de Commissie Werkelijke Schade, voor compensatie voor geleden immateriële schade door partner van belanghebbende en hun kinderen.
  • UHT heeft op 19 juni 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 21 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 29 november 2024 is aanvullende informatie ontvangen van de behandelend ambtenaar UHT. Gemachtigde heeft hier op 30 december 2024 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren ten aanzien van het bezwaardossier

Onvolledig dossier en equality of arms
Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaande aan de hoorzitting bij de Commissie recht op de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het beginsel van equality of arms ziet op procedurele gelijkheid van partijen in een geding.

De schriftelijke reactie van UHT is door UHT met gemachtigde besproken op
19 juni 2024. Het dossier met bijbehorende producties, is op 9 september 2024 digitaal aan gemachtigde toegezonden. Ter zitting is naar voren gekomen dat gemachtigde niet over het aanvullende dossier (pagina 425 t/m 479) beschikt.
Het aanvullende dossier is ter zitting digitaal aan gemachtigde doorgestuurd en UHT heeft gemachtigde de relevante XML-bestanden toegestuurd op 29 november 2024. Gemachtigde heeft de aanvullende stukken met belanghebbende besproken en op 30 december 2024 aangegeven de bezwaargronden niet nader aan te vullen.

Het inzagerecht, het recht van hoor en wederhoor van belanghebbende en procedurele gelijkheid zijn naar opvatting van de Commissie niet in het geding.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2013 tot en met 2015 en 2017 tot en met 2019

De Commissie heeft, gelet op de stukken en hetgeen in de hoorzitting is besproken onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat bij de terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 en de jaren 2017 tot en met 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel.

Over 2013, 2014 en 2015 zijn de neerwaartse bijstellingen of terugvorderingen van KOT gelegen in wijzigingen die door belanghebbende zijn doorgegeven en die betrekking hebben op de opvanguren en/of wijziging van het inkomen. Dit geldt ook voor de jaren 2017, 2018 en 2019. Dit betreffen reguliere wijzigingen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de vereiste zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de bestreden beschikking niet in acht is genomen en dat de beschikking onvoldoende gemotiveerd is.

De Commissie is van opvatting dat UHT weliswaar de bestreden beschikking niet volledig juist en voldoende toegelicht, maar dat met het indienen van de schriftelijke reactie de beschikking alsnog voldoende onderbouwd is. Voor de onderbouwing heeft UHT gebruik gemaakt van de overzichten en diverse producties in het bezwaardossier. De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond geen doel treft.

Overschrijding redelijke termijn en immateriële schadevergoeding
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overweegt de Commissie het volgende. Bij uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) heeft de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Per de datum van die uitspraak is deze termijn uniform bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen als die voor het hoger beroep een termijn van twee jaar. Wordt deze overschreden, moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar. Omdat de grondslag van de voornoemde vergoeding van immateriële schade wordt gevormd door een artikel 6 EVRM conforme uitleg van het nationale recht (en die verdragsbepaling ziet op behandeling binnen een redelijke termijn door "een onafhankelijk en onpartijdig gerecht") kan in principe geen schadevergoeding worden toegekend als de procedure is geëindigd voordat een rechter daarbij betrokken is geweest. In de bezwaarfase zelf bestaat geen verplichting om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM en dat op basis hiervan recht bestaat op immateriële schadevergoeding. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
De bezwaren van belanghebbende zijn naar het oordeel van de Commissie ongegrond en de Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking niet te herroepen. Dit betekent dit dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Dit volgt ook uit artikel 7:15 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Desalniettemin merkt de Commissie op dat de oorspronkelijke motivering van de bestreden beschikking, voordat dit in bezwaar is hersteld, te wensen over liet.
Het lag dus alleszins voor de hand dat belanghebbende daartegen bezwaar heeft gemaakt. Dit was een adequate en vanuit haar positie bezien redelijke en zelfs noodzakelijke stap. Een advocaat die er 'blind' op zou hebben vertrouwd dat de motivering weliswaar nog ondeugdelijk was maar in een later stadium alsnog aan de maat zou blijken te zijn, en louter daarom zijn client zou hebben geadviseerd af te zien van het maken van bezwaar, zou waarschijnlijk een beroepsfout maken.
De Commissie betrekt hierbij ook ambtshalve haar ervaring dat een substantieel deel van de bezwaren waarover zij moet adviseren, op inhoudelijke gronden doel treft. Maar dat is pas vast te stellen als de onderliggende stukken compleet zijn.

De Commissie adviseert UHT om geen proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en:

  • de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter