BAC 2023-12609
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 maart 2021 met kenmerk UHT-B DMB2
27 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA
29 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS B
Hoorzitting: 15 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 niet-ontvankelijk te verklaren, de bezwaren tegen de besluiten van 27 maart 2023 en 29 maart 2023 met kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren en deze laatste twee besluiten ongewijzigd in stand te laten.
Tevens adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen het door UHT genomen besluit met kenmerk UHT-B DMB 2 van
16 maart 2021, het door UHT genomen besluit met kenmerk UHT-DCHA van
27 maart 2023 en het door UHT genomen besluit met kenmerk UHT-O OGS B van 29 maart 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) een compensatie toegekend van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2019. Daarnaast is aan belanghebbende een tegemoetkoming vanwege een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 5.332 voor het toeslagjaar 2018. Omdat belanghebbende al € 30.000 heeft ontvangen, krijgt zij geen aanvullend bedrag.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten het bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2021.
- Bij besluit van 16 maart 2021 met kenmerk UHT-B DMB 2 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet helemaal klaar is.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 oktober 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 maart 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat voor wat betreft de toeslagjaren 2012 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
- Bij besluit van 27 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2019.
- Bij besluit van 29 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS B heeft UHT een tegemoetkoming van € 5.332 aan belanghebbende toegekend vanwege een onterechte kwalificatie O/GS. Omdat belanghebbende al € 30.000 heeft ontvangen vanwege de Catshuisregeling, krijgt zij geen aanvullend bedrag.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 april 2023, ingekomen op 6 april 2023, bezwaar gemaakt tegen zowel het besluit van 27 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA als het besluit van 29 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS B.
- Op 4 april 2023 heeft gemachtigde per e-mail akkoord gegeven aan de Commissie om het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2021 met kenmerk UHT-B DMB2, het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA en het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS B gevoegd te behandelen.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 maart 2024 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 5 september 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 15 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Aangezien zowel belanghebbende als gemachtigde niet zijn verschenen ter zitting, heeft de Commissie op 15 mei 2025 gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de hoorzitting de bezwaren aan te vullen als er nova zijn. Op 3 juni 2025 is hij gerappelleerd. Tot op heden heeft de Commissie geen reactie ontvangen.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften tijdig zijn ingediend.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Bezwaar tegen de lichte toets (besluit van 16 maart 2021 met kenmerk UHT-DMB 2) Belanghebbende stelt dat zij niet akkoord gaat met een bedrag van € 30.000, omdat nog niets bekend is over een eventuele aanvulling en zij zich waarschijnlijk zal wenden tot de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie overweegt dat in beginsel een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt.
Voor zover belanghebbende stelt dat de toegekende schadevergoeding van €30.000 ontoereikend is omdat de werkelijke schade hoger zou liggen, richt haar bezwaar zich niet tegen de toekenning van de € 30.000 als zodanig, maar uitsluitend tegen de hoogte daarvan. Nu de onderhavige besluit berust op een voorlopige beoordeling, ontbreekt een procesbelang bij het bezwaar en ontbreekt een geschil aangaande de toekenning van het in de Catshuisregeling voorziene recht.
De Commissie adviseert UHT om belanghebbende in dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat het hersteldossier niet volledig is en zij verzoekt tevens om het persoonlijk dossier. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 18 maart 2025 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kan belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden besluiten en kan dit bezwaar aan de hand daarvan in de beslissing op bezwaar worden hersteld.
0/GS ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2019
Belanghebbende stelt dat zij in de toeslagjaren 2015 en 2019 aan B/T heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. UHT heeft geen stuk aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd en ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie onderschrijft dit standpunt van UHT en daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende voert aan dat sprake is van vooringenomen handelen van B/T ten aanzien van het toeslagjaar 2017.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2017 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van een reguliere wijziging (minder kinderopvang) opnieuw is berekend. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd en geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De informatie van de kinderopvanginstelling uit de KOI-viewer komt overeen met de informatie uit de aanvraag van de KOT voor 2016 en daarom heeft B/T uit mogen gaan van de juistheid van de wijziging. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Voor de proceskosten in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- belanghebbende in het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2021 met kenmerk UHT-DMB 2 niet-ontvankelijk te verklaren;
- de bezwaren tegen de besluiten van 27 maart 2023 en 29 maart 2023 met kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren;
- deze laatste twee besluiten ongewijzigd in stand te laten; en
- het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter