Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10993

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 oktober 2022 (UHT-DC I)

Hoorzitting:14 februari 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 18 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.773,- voor de jaren 2008, 2009 en 2011.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010.
    Na overleg met belanghebbende zijn de jaren 2008, 2009 en 2011 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 18 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I een compensatiebedrag van € 19.773,- toegekend. Omdat belanghebbende al het minimumbedrag van € 30.000,- heeft ontvangen, volgt geen nabetaling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 november 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 maart 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 14 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onderliggend (ouder)dossier
Belanghebbende stelt in het bezwaarschrift dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie stelt voorop dat de schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken op 9 december 2024 aan belanghebbende zijn toegezonden. Daarnaast heeft belanghebbende in ieder geval op 13 februari 2025 het ouderdossier in haar bezit gekregen. De Commissie is dan ook van oordeel dat in beginsel is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat er (nog) op de zaak betrekking hebbende stukken zouden ontbreken, is niet aannemelijk gemaakt. De Commissie leidt uit het betoog van belanghebbende af dat dit ook niet (langer) in geschil is, maar dat zij het belang van het ouderdossier in bredere zin aan de orde wenst te stellen. Om die reden overweegt de Commissie daarover als volgt.

De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hen is aangedaan en te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende zo snel mogelijk inzicht krijgt in de informatie over zijn of haar situatie, in de vorm van een ouderdossier. Daarom staat de Commissie positief tegenover het ouderdossier en de spoedige verstrekking daarvan aan belanghebbende. Dat betekent echter niet steeds dat het bezwaardossier onvolledig wordt geacht als niet (ook) het ouderdossier is overgelegd. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het ouderdossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

Gezien het vorenstaande adviseert de Commissie UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Overigens is het wel zo, dat als uit latere stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan het bestreden besluit in het voordeel van belanghebbende moet worden bijgesteld, het aangewezen is dat UHT dat ook doet.

Beoordeling compensatie toeslagjaren 2008, 2009 en 2011

De Commissie ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2008, 2009 en 2011
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie op grond van de Wht een bedrag van € 19.773,- toegekend.

In haar beschouwing heeft UHT vastgesteld dat de berekening van onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) onjuist is. De correctie leidt tot gewijzigde bedragen van respectievelijk € 2.122,-, € 1.769,- en € 244,- voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011. UHT acht het bezwaar op dit punt gegrond en zal de compensatieberekening dienovereenkomstig aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

De Commissie adviseert UHT om, in lijn met het beleid van UHT in gevallen waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) - in afwijking van de Wht -
als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Daarnaast adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal (onderdeel p) in de compensatieberekening eveneens aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Hoewel de Commissie adviseert om het bedrag van de al toegekende compensatie aan te passen, zal dit slechts leiden tot een extra uitbetaling aan belanghebbende, indien en voor zover het totaal door belanghebbende te ontvangen bedrag het eerder uitgekeerde bedrag van € 30.000,- overschrijdt.

OG/S-regeling van toepassing?
Belanghebbende heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) geen sprake is. Bovendien wijst belanghebbende erop dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen, maar dat die steeds werd geweigerd.

De Commissie overweegt dat uit het ouderdossier (productie 93) volgt geen sprake is van een O/GS kwalificatie. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende onder die kwalificatie geregistreerd stond. De regeling van artikel 2.6 Wht vindt dan in beginsel geen toepassing. Dat doet er niet aan af dat de Commissie in bijzondere gevallen aanleiding heeft gezien UHT toch te adviseren om met toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 9.1, lid 1, Wht een tegemoetkoming aan een belanghebbende toe te kennen. Het gaat – kort gezegd – om de situatie waarin een belanghebbende zich bevond feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. Voordat aan beoordeling daarvan kan worden toegekomen, gaat de Commissie allereerst in op de vraag of dat in relatie tot de onderhavige beschikking ergens toe zou leiden.

Belanghebbende is over de onderhavige jaren immers gecompenseerd op grond van vooringenomenheid. Voor de jaren 2008 en 2009 kan toepassing niet tot een andere, gunstigere uitkomst leiden. De beschikkingen (en dus de bedragen) die als grondslag zouden dienen voor berekening van een O/GS tegemoetkoming zijn immers dezelfde als bij berekening van de compensatie wegens vooringenomenheid in aanmerking zijn genomen. Over het jaar 2011 is dat anders, aangezien voor dat jaar vooringenomenheid is aangenomen in relatie tot een andere beschikking (t.10.0601) dan die voor toepassing van de O/GS regeling als grondslag zou kunnen dienen (t.10.0201). De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en de Commissie zelf in het (ouder)dossier heeft kunnen terugvinden echter onvoldoende aanknopingspunten om ten aanzien van dat jaar te oordelen dat de sprake is van een vergelijkbaar geval waarop de hardheidsclausule moet worden toegepast. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en ook onvoldoende is gemotiveerd.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I, overweegt de Commissie met betrekking tot een vergoeding van de proceskosten het volgende.

Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid van de Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wellicht niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde
€ 30.000,-, maar de aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging die rechtsgevolg heeft. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 18 oktober 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de, ingevolge de Wht samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter