BAC 2023-13669
Publicatiedatum 26-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 mei 2022 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 1 september 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 mei 2023 met kenmerk UHT-DCHA. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2010.
- UHT heeft bij brief van 26 januari 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2023, ingekomen op 8 juni 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 28 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt in haar bezwaar dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Commissie overweegt dat, gelet op de hersteloperatie en de stukken in het bezwaardossier, niet aannemelijk is geworden dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UHT is bevoegd en de inhoud van de besluiten is gebaseerd op de Wht. UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende gelegenheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking voldoende heeft toegelicht. De beschikking is door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties voldoende onderbouwd. Ook is de bestreden beschikking in lijn met het doel van de Wht en heeft de beschikking geen onevenredig nadelige gevolgen voor belanghebbende.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de nihilstelling van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 is gebaseerd op het gegeven dat belanghebbende in deze toeslagjaren geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat dit onjuist of onvolledig is.
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de nihilstelling en terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Hier komt bij dat belanghebbende op grond van art. 2.1 lid 2 Wht niet in aanmerking komt voor compensatie nu zij in het geheel geen recht had op KOT in de toeslagjaren in kwestie.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Uit art. 2.6 lid 1 Wht volgt dat een belanghebbende aan wie op grond van een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (hierna: O/GS) geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, een O/GS-tegemoetkoming toekomt.
Op grond van artikel 7 lid 6 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) was tot 1 juli 2020 geen betalingsregeling mogelijk voor toeslagschuld voor zover het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende. Kort gezegd heeft bij opzet de belanghebbende willens en wetens gehandeld of nagelaten te handelen. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Bij grove schuld had de belanghebbende redelijkerwijs moeten begrijpen dat zijn of haar gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou worden toegekend. Zowel bij opzet als bij grove schuld heeft de burger geen recht op een persoonlijke betalingsregeling.
Het staat vast dat belanghebbende onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld specifiek voor de fraude die zij heeft gepleegd met de kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010. Hieruit leidt de Commissie af dat het ontstaan van de terugvorderingen KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 te wijten is aan haar opzet of grove schuld. Aanwijzingen in andere richting zijn er niet. Er is dus geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter