BAC 2022-10919
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 september 2022 (UHT-DC I A en UHT-DH5 A)
Ontvangst bezwaarschrift: [dd-mm-jj]
Hoorzitting: 15 augustus 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 22 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 13 september 2022 genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor het jaar 2007.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011 en 2012.
In overleg met belanghebbende is het herbeoordelingsverzoek beperkt tot het toeslagjaar 2007. - UHT heeft bij beschikking van 14 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van
€ 30.000,-. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds van kracht waren, niet van toepassing zijn voor het jaar 2007.
- UHT heeft bij de beschikkingen van 13 september 2022 met kenmerk UHT-
DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2007. - Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2022 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 2 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 15 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Ter zitting heeft de Commissie de bezwaren van belanghebbende aldus begrepen dat zij wenst dat de zaak opnieuw zorgvuldig wordt beoordeeld, aangezien zij de kwestie als onduidelijk ervaart en niet meer over de relevante stukken beschikt. Geplaatst tegen die achtergrond overweegt de Commissie het volgende.
De Wht voorziet in compensatie of een tegemoetkoming voor een ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van de aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van institutioneel vooringenomen handelen van B/T, of dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS).
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat in het toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. De terugvordering van KOT was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend, dat door reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
De neerwaartse bijstellingen waren te herleiden tot de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 1 november 2007 en op de (achteraf onterechte) verklaring van belanghebbende dat zij 0 uren opvang heeft afgenomen (pagina’s 79 tot en met 83 van het bezwaardossier). Het volgen van de door belanghebbende verstrekte informatie vormt geen aanwijzing voor vooringenomen handelen door B/T.
Tegen de nihilbeschikking van 9 juni 2009 heeft belanghebbende bezwaar ingediend. Dat belanghebbende daarover geen terugkoppeling heeft ontvangen, zoals zij stelt, is niet aannemelijk geworden. Uit het dossier volgt namelijk dat de beslissing op bezwaar aan het adres van belanghebbende is gezonden (pagina 55 van het bezwaardossier). Het bezwaar van belanghebbende is mede opgevat als een verzoek om ambtshalve herziening. De KOT is vervolgens opwaarts gecorrigeerd naar een bedrag van € 6200,-(inclusief € 540,- rente) en de terugvordering is gedeeltelijk ongedaan gemaakt (pagina 57 van het bezwaardossier). Zoals UHT in de schriftelijke beschouwing heeft toegelicht, is een deel van het bedrag van de opwaarts vastgestelde KOT (€ 3.065,50) afgeboekt naar een verschuldigd bedrag aan KOT in het jaar 2007, is een deel (€ 77,- en
€ 1.330,-) verrekend met openstaande schulden aan huurtoeslag over de jaren 2006 en 2009, en is het restant (€ 1.727,50) aan belanghebbende betaald. Uit het overzicht van het Landelijke Incassocentrum (hierna: LIC-overzicht) over toeslagjaar 2007 (pagina’s 87-89 bezwaardossier) blijkt dat geen sprake is van een onjuist of onbekend rekeningnummer en dat het restant bedrag naar het bankrekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt.
De hierboven genoemde bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie kan dan ook niet anders oordelen dan dat UHT in overeenstemming met de van toepassing zijnde regelgeving heeft gehandeld.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van het LIC-overzicht – en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Proceskostenvergoeding
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen dus niet te herroepen, komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter