Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12558

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT- DCH ZV) 1 maart 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 10 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 19 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het onderhavige advies betreft de door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften van 13 maart 2023 gericht tegen de door UHT op
1 maart 2023 genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (UHT-DCH-ZV) en de op 1 maart 2023 genomen definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) (UHT-O OGS B).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.025 voor de toeslagjaren 2014, de maanden januari tot en met juni 2015 en het toeslagjaar 2017. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de maanden juli tot en met december 2015 en de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019.

Aan belanghebbende is een tegemoetkoming O/GS toegekend voor een bedrag van € 2.301 voor de toeslagjaren 2015 en 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 tot en met 2019.
  • Bij brief van 18 september 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 heeft UHT een forfaitair bedrag van € 30.000 aan belanghebbende toegekend en kenbaar gemaakt dat de situatie van belanghebbende nog niet helemaal beoordeeld is.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 1 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH-ZV aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.025 voor de toeslagjaren 2014, de maanden januari tot en met juni 2015 en het toeslagjaar 2017. Voor de maanden juli tot en met december 2015, de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019 is de vergoeding afgewezen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 maart 2023 tegen de beschikking (UHT- DCH-ZV) een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 1 maart 2023 met kenmerk UHT-O-OGS-B aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld toegekend voor een bedrag van € 2.301.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 maart 2023 tegen de beschikking (UHT-O-OGS-B) een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 maart 2024 de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 21 mei 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 10 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 april 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 15 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Ontbrekende stukken / onzorgvuldige voorbereiding
Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden besluiten, zijn die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT hersteld aan de hand van wat daarover in haar schriftelijke reactie, op de hoorzitting en in een tweede schriftelijke reactie is opgemerkt.

Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT de toeslagjaren 2012, 2013 en 2018 ook in haar herbeoordeling had behoren te betrekken. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze jaren sprake was van KOT.

De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de toeslagjaren 2012 tot en met 2019. Uit het dossier blijkt dat de persoonlijk zaakbehandelaar het verzoek vervolgens, na een gesprek met belanghebbende, heeft beperkt tot de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 en 2019 omdat in de jaren 2012, 2013 en 2018 geen sprake is geweest van neerwaartse bijstellingen en terugvorderingen. Nadat eerst de jaren 2014 tot en met 2017 en het toeslagjaar 2019 zijn herbeoordeeld, heeft de beoordelaar van UHT vervolgens ook het toeslagjaar 2018 in de herbeoordeling betrokken. Op verzoek van de Commissie heeft UHT op 5 mei 2025 informatie toegestuurd waaruit kan worden opgemaakt dat belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 geen KOT heeft aangevraagd. Op 19 mei 2025 heeft gemachtigde op deze informatie gereageerd. Namens belanghebbende liet gemachtigde de Commissie weten dat de herinneringen van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2012, 2013 en 2018 niet stroken met de mededeling van UHT dat er over deze jaren geen terugvorderingen hebben plaatsgevonden.

In beginsel bepalen het verzoek om herbeoordeling en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure. De Commissie stelt vast dat, anders dan belanghebbende naar voren heeft gebracht, het toeslagjaar 2018 door UHT is herbeoordeeld. Nu UHT heeft toegelicht dat belanghebbende in de jaren 2012 en 2013 geen KOT heeft aangevraagd, ziet de Commissie in hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om deze toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Uren KOT
Gemachtigde stelt dat de uren, waarvoor met betrekking tot het toeslagjaar 2015 KOT is toegekend, niet correct zijn berekend.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op eventuele omissies in (de gegevensverstrekking ter zake van) de aanvraag of de vaststelling van KOT. Belanghebbende verzoekt in feite om een aanpassing van de hoogte van de KOT die indertijd definitief is vastgesteld. UHT heeft niet de bevoegdheid om tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT over te gaan; UHT dient zich te beperken tot de in de Wht gestelde kaders. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Gemachtigde stelt dat de compensatieberekening niet klopt. Volgens UHT is over het toeslagjaar 2014, de maanden januari tot en met juni 2015 en het toeslagjaar 2017 sprake van vooringenomenheid. Op basis hiervan is aan belanghebbende compensatie toegekend. UHT verwijst voor de uitleg van de compensatie-berekening naar de bijlage van het bestreden besluit, de schriftelijke reactie en het informatie- en beoordelingsformulier. Ook heeft UHT tijdens de hoorzitting de berekening nader toegelicht. Uit de toelichting van UHT blijkt dat de aan belanghebbende toegekende compensatie niet geheel juist maar wel in het voordeel van belanghebbende is vastgesteld. De Commissie ziet derhalve geen aanleiding UHT te adviseren het bezwaar gegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten
Voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter