Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13613

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 mei 2023 (UHT DCHA en UHT O OGS B)

Hoorzitting: 19 december 2024

Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met de hiervoor genoemde kenmerken.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2013 en wel een tegemoetkoming toegekend voor het jaar 2011 vanwege een kwalificatie opzet/grove schuld.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 november 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2011. In overleg met belanghebbende is naderhand afgesproken om de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 opnieuw te beoordelen.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 (Catshuisregeling).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 mei 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Wel dient over het jaar 2011 een tegemoetkoming vanwege de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS) te worden verleend.
  • UHT heeft bij de beschikking met kenmerk UHT DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 juni 2023, ingekomen op 20 juni 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft bij de beschikking met kenmerk UHT O OGS B aan belanghebbende als O/GS tegemoetkoming een bedrag van € 6.062 voor het jaar 2011 toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 juni 2023, ingekomen op 20 juni 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft belanghebbende bij brief van 18 december 2023, eveneens met kenmerk UHT-OGS B, kenbaar gemaakt dat de aan hem toegekende O/GS-tegemoetkoming op 26 oktober 2023 is aangevuld met € 3.938 op grond van de ex-partnerregeling.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 11 juni 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. De daarin opgenomen gronden richten zich uitsluitend tegen de beslissing tot aanvulling van de tegemoetkoming met kenmerk UHT OGS B van 18 december 2023.
  • UHT heeft op 8 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft het bezwaar tegen de bestreden beschikking met kenmerk UHT OGS B van 18 december 2023 op 9 december 2024 aangevuld.
  • UHT heeft op 16 december 2023 aanvullende stukken toegestuurd.
  • Op 19 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Hoewel beroep is ingesteld tegen de twee hiervoor genoemde besluiten, richten de bezwaren van belanghebbende zich alleen tegen de beschikking met kenmerk UHT OGS B, waarbij aan belanghebbende een tegemoetkoming is toegekend wegens een O/GS kwalificatie over het toeslagjaar 2011.

Meer in het bijzonder betreft het bezwaar van belanghebbende de wijze waarop UHT de aanvullende tegemoetkoming heeft berekend. Belanghebbende stelt dat UHT haar besluit om hem een aanvullende tegemoetkoming toe te kennen niet op art. 2.7 lid 2 Wht mocht baseren. Op grond van art. 2.7 lid 2 Wht werd de eerder vastgestelde O/GS-tegemoetkoming door UHT met € 3.938 aangevuld tot €10.000 op grond van de zogenoemde ‘ex-partnerregeling’. Daarbij stelt belanghebbende dat in zijn geval geen sprake is van zogenoemde ‘dubbele aanvragen’. De KOT is op naam van belanghebbende aangevraagd voor twee kinderen. In dezelfde periode werd door zijn ex-partner ook KOT aangevraagd maar voor twee andere kinderen. Er is sprake van zelfstandig leed aan de zijde van belanghebbende, dientengevolge maakt hij zelfstandig aanspraak op een aanvulling van de O/GS tegemoetkoming tot € 30.000.

Verder stelt belanghebbende dat UHT in strijd met art. 4:86 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft nagelaten om in de bestreden beschikking te vermelden op welke termijn betaling van de aan belanghebbende toegekende tegemoetkoming plaats zou vinden.

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de aanvulling op de tegemoetkoming voor O/GS op de juiste wijze heeft vastgesteld en kon beslissen om het moment waarop deze tegemoetkoming aan belanghebbende zou worden betaald in de beschikking onvermeld te laten.

Belanghebbende niet gedupeerd

UHT heeft aangevoerd dat zij bij de herbeoordeling van het dossier van belanghebbende heeft vastgesteld dat belanghebbende op 23 november 2011 met terugwerkende kracht KOT heeft aangevraagd voor de opvang per 1 maart 2011 van twee kinderen. Op 14 december 2011 heeft belanghebbende geantwoord op een brief van Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) waarin werd gevraagd een rekeningnummer op te geven voor de uitbetaling van € 20.204 aan KOT. Op 15 december 2011 werd vervolgens door B/T een voorschotbeschikking van € 20.204 afgegeven conform de informatie die door belanghebbende was opgenomen in het wijzigingsformulier en de door hem ondertekende opgaaf rekeningnummer.

UHT heeft verder vastgesteld dat B/T de eerder aan belanghebbende toegekende KOT op 28 december 2011 op nihil heeft gesteld. B/T heeft hem daarover per brief geïnformeerd. In deze brief staat dat B/T na controle heeft vastgesteld dat bij de berekening van de KOT uit is gegaan van onjuiste gegevens. Op 18 februari 2014 heeft B/T belanghebbende de definitieve beschikking toegezonden, waarbij de KOT op nihil werd gesteld. UHT heeft geen brieven terug kunnen vinden waarin B/T belanghebbende om informatie heeft verzocht met betrekking tot de door hem aangevraagde en ontvangen KOT. Tegen die achtergrond heeft UHT zich bij de herbeoordeling van het dossier op het standpunt gesteld dat belanghebbende door B/T mogelijk onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om op de voorgenomen op nihilstelling te reageren en om informatie aan B/T toe te sturen. UHT heeft deze handelwijze als vooringenomen aangemerkt, maar compensatie op grond van vooringenomenheid op die grond achterwege gelaten omdat belanghebbende geen recht had op KOT. De aanvraag KOT betrof niet de eigen kinderen van belanghebbende en deze kinderen hebben niet met hem op hetzelfde adres gewoond. Aangezien er in het geval van belanghebbende wel sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, als gevolg waarvan belanghebbende een betalingsregeling zou zijn geweigerd, heeft UHT belanghebbende op die grond een tegemoetkoming toegekend.

Deze vergoeding is vervolgens op grond van de ex-partnerregeling aangevuld. Tijdens de hoorzitting heeft UHT gesteld dat zij geen reden ziet de reeds aan belanghebbende verstrekte aanvulling verder aan te vullen. De tegemoetkoming O/GS die belanghebbende al heeft ontvangen en de aanvulling daarvan tot €10.000 zijn ten onrechte toegekend omdat belanghebbende op oneigenlijke gronden KOT heeft aangevraagd. De tegemoetkoming en de aanvulling daarvan zullen niet worden teruggevorderd.

Uit het voorhanden bezwaardossier, de op 19 december 2024 door UHT aan belanghebbende en de Commissie toegestuurde aanvullende stukken en uit hetgeen op de hoorzitting aan de orde is gekomen, leidt de Commissie het volgende af.

Met gebruikmaking van het BSN-nummer van belanghebbende is op 23 november 2011 op zijn naam KOT aangevraagd voor twee kinderen. Bij deze aanvraag zijn, zo blijkt uit het voorhanden XML-bestand dat bij deze aanvraag hoort, de namen en BSN-nummers gebruikt van deze twee kinderen. Belanghebbende heeft bij de hoorzitting verklaard dat hij die kinderen niet kent, dat hij ze nooit heeft verzorgd, dat hij geen kinderopvang voor die kinderen heeft afgenomen en dat hij geen recht had op KOT voor deze kinderen. Op 14 december 2011 is bij B/T opgave gedaan van het rekeningnummer van belanghebbende, zodat de KOT door B/T kon worden overgemaakt. Op dit opgaveformulier staan, naar belanghebbende tijdens de hoorzitting uitdrukkelijk heeft erkend, de handtekening van belanghebbende en diens rekeningnummer Belanghebbende heeft ook erkend dat hij in 2011 en in latere jaren KOT op die rekening heeft ontvangen waarop hij geen recht had en die hij niet heeft gebruikt om kinderopvang te betalen.

Op grond van het voorgaande neemt de Commissie als vaststaand aan dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van opzettelijk misbruik van de regeling voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Tegen die achtergrond komt de O/GS-kwalificatie die aan belanghebbende is gegeven de Commissie niet juist voor. De Wht beoogt gedupeerden van de toeslagenaffaire te compenseren. Belanghebbende is niet gedupeerd, zoals hij ter gelegenheid van de hoorzitting heeft erkend. Dit brengt met zich mee dat een tegemoetkoming vanwege die kwalificatie en de aanvulling daarop achterwege hadden moeten blijven. Dit geldt evenzo voor de verdere aanvulling waarom belanghebbende thans verzoekt. Het feit dat UHT belanghebbende een O/GS tegemoetkoming heeft toegekend geeft hem, anders dan belanghebbende blijkbaar meent, geen recht op enige aanvulling op grond van de Wht indien die tegemoetkoming, zoals ik het onderhavige geval, ten onrechte is toegekend.

De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het moment van betalen

In haar schriftelijke reactie op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft UHT aangevoerd dat bij de totstandkoming van het besluit met kenmerk UHT OGS B nog geen betalingstermijn kon worden opgenomen omdat de processen omtrent de ex-partnerregelingen, op grond waarvan UHT de tegemoetkoming heeft aangevuld, nog niet waren ingericht. Aangezien sprake was van nieuwe, nog aan wijziging onderhevige regelgeving, meent UHT aan de uit art. 4:87 Awb voortvloeiende verplichtingen te hebben voldaan.

De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. Een beoordeling van de vraag of UHT in de bestreden beschikking diende te vermelden op welke termijn betaling van de aan belanghebbende toegekende tegemoetkoming plaats zou vinden valt echter buiten de reikwijdte van de Wht en de onderhavige bezwaarprocedure. De Commissie gaat daarom niet in op het desbetreffende onderdeel van het bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Omdat de bestreden beslissingen in stand kunnen blijven, heeft belanghebbende geen recht op een proceskostenvergoeding. De Commissie adviseert het desbetreffende verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter