BAC 2022-12243
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 september 2022 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 6 maart 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Ook adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op
21 september 2022 door UHT genomen beschikking 'aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade' (hierna: CWS) met kenmerk UHT-HD CWS.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen aanvullende compensatie toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 16 november 2019 heeft B/T bij brief met kenmerk T-C DR CAF-11 aan belanghebbende medegedeeld dat zij een van de betrokken ouders is in het CAF 11-dossier.
- Op 17 december 2019 heeft B/T bij brief met kenmerk T-C DR CAF-11 1e V aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een voorlopige compensatie van € 10.304. B/T heeft in deze brief ook aan belanghebbende gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden.
- Bij beschikking van 26 maart 2020 met kenmerk T-C DR CAF-11 CB 1 heeft B/T aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 10.304 voor de fouten van B/T omtrent de toeslagjaren 2012 en 2013.
- Op 20 april 2020 heeft belanghebbende tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Op 4 februari 2021 is het eerder toegekende bedrag aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 23 augustus 2021 heeft de Commissie advies uitgebracht aan UHT omtrent het ingediende bezwaar.
- Op 7 januari 2022 heeft UHT het bezwaar van belanghebbende in navolging van de Commissie gedeeltelijk gegrond verklaard en een definitieve compensatie toegekend van € 16.345. Omdat belanghebbende al een aanvulling op grond van de Catshuisregeling had ontvangen tot € 30.000, ontvangt belanghebbende geen nabetaling.
- Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
- CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2022 aan UHT toegestuurd. CWS adviseert geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
- UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij beschikking van 21 september 2022 met kenmerk UHT-HD CWS aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen aanvullende compensatie ontvangt.
- Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2022 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Op 25 januari 2024 heeft belanghebbende telefonisch gesproken met de bezwaarbehandelaar van UHT over haar bezwaar.
- Op 31 januari 2024 heeft X zich gesteld als gemachtigde. Op 12 februari 2024 had belanghebbende aan CWS doorgegeven dat haar gemachtigde Y is.
- Op 29 februari 2024 heeft [gemachtigde] zich gesteld als gemachtigde.
- UHT heeft op 2 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 28 november 2024 heeft UHT nogmaals een schriftelijke reactie opgesteld vanwege het nieuwe schadekader van CWS.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 februari 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 5 maart 2025 heeft UHT nogmaals een schriftelijke reactie opgesteld.
- Op 6 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Ter zitting bleek dat gemachtigde niet in het bezit was gesteld van de schriftelijke reacties van UHT van 28 november 2024 en 5 maart 2025.
- Op 27 maart 2025 heeft gemachtigde gereageerd op de schriftelijke reacties van UHT van 28 november 2024 en 5 maart 2025.
- Op 17 april 2025 heeft UHT nogmaals een schriftelijke reactie opgesteld.
- Op het verzoek van de Commissie van 22 april 2025 aan gemachtigde of zij nog wenst te reageren op de schriftelijke reactie van UHT is niet gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedings-recht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.
De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting en in de nadere reactie van 27 maart 2025 heeft gemachtigde aangegeven dat de bezwaren zich concentreren op de hierna te bespreken aspecten.
Vervangende opvangkosten
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij vervangende opvangkosten heeft gemaakt. Zij heeft haar moeder gevraagd om voor opvang te zorgen. Belanghebbende stelt tevens dat het advies op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en zij verzoekt om een tijdlijn over alle KOT-jaren.
UHT stelt dat belanghebbende geen vergoeding ontvangt voor het toeslagjaar 2010 omdat de vervangende opvangkosten niet in verband staan met de problemen met de KOT. De problemen zijn volgens UHT begonnen in december 2014. Belanghebbende krijgt geen vergoeding voor vervangende opvangkosten voor het toeslagjaar 2011, omdat zij voor deze periode al KOT heeft ontvangen en zij krijgt geen vergoeding voor vervangende opvangkosten voor toeslagjaar 2012 en 2013, omdat zij voor deze periode al compensatie heeft ontvangen op grond van de definitieve compensatiebeschikking. Na 13 september 2013 komt belanghebbende niet voor vergoeding voor KOT in aanmerking, omdat haar kind met ingang van september 2013 naar de middelbare school is gegaan. UHT heeft een tijdlijn overgelegd bij haar aanvullende beschouwing van 5 maart 2025.
De Commissie is van oordeel dat UHT het advies van CWS heeft mogen volgen en voldoende heeft voldaan aan het informatieverzoek van belanghebbende op dit punt. Belanghebbende heeft geen informatie of stukken verstrekt die aannemelijk maken dat de problemen met de KOT eerder waren begonnen dan het moment van de beschikking van 20 december 2014 met kenmerk DVTBV, waarnaar UHT verwijst. De Commissie is van oordeel dat UHT het bezwaar op dit punt ongegrond dient te verklaren.
Inkomensschade
Belanghebbende voert aan dat zij niet uit het dossier kan opmaken wat precies is uitgezocht omtrent de inkomensschade. Belanghebbende wenst te weten of zij op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) -lijst is geplaatst en of informatie over belanghebbende met derden is gedeeld. Verder heeft belanghebbende KOT aangevraagd vanaf 2007 op naam van haar ex-partner en zijn de juiste toetsingsinkomensgegevens niet meegenomen in de beoordeling.
UHT stelt dat de problemen met de KOT pas vanaf december 2014 speelden. De problemen met het bedrijf van belanghebbende begonnen in 2012 en 2013 en de lening zou ook in deze periode zijn afgesloten. Deze zaken hebben volgens UHT geen inkomensschade veroorzaakt bij belanghebbende die voor vergoeding in aanmerking komt. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 5 maart 2025 de gang van zaken omtrent de FSV toegelicht en onder het kopje 'overige vermogensschade' heeft UHT aangevoerd dat de ex-partner van belanghebbende niet relevant is voor de beoordeling van de schade in dit dossier.
De Commissie is van oordeel dat UHT op basis van het dossier en van wat ter zitting en na de hoorzitting is aangevoerd het advies van CWS heeft mogen volgen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat vanwege de KOT-problemen belanghebbende inkomensschade heeft geleden. Tevens acht de Commissie de verschafte informatie omtrent de FSV-lijsten voldoende. Voor wat betreft de
ex-partner van belanghebbende acht de Commissie het standpunt van UHT juist. Immers, het onderhavige bezwaar betreft enkel de schade die is ontstaan bij belanghebbende zelf en haar kinderen. De situatie van de ex-partner dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vermogensschade
Belanghebbende stelt dat gastouderbureau X al ver voor 2011 onderzocht is en dat de datum van de terugvordering niet leidend hoort te zijn voor het bepalen van de werkelijke schade. Zij verzoekt UHT het onderzoeksrapport over gastouderbureau X over te leggen. Volgens belanghebbende kan de stelling van UHT dat geen causaal verband bestaat tussen de verkoop van woningen en de KOT-problemen geen standhouden.
De Commissie is van oordeel dat UHT op basis van het dossier en wat ter zitting en na de hoorzitting is aangevoerd het advies van CWS heeft mogen volgen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende vanwege de KOT-problemen vermogensschade heeft geleden. UHT heeft in haar aanvullende beschouwingen voldoende onderbouwd om welke redenen dit het geval is, ook met betrekking tot de verkoop van de woning van de ex-partner van belanghebbende. Daarom adviseert de Commissie om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Andere extra kosten vanwege nihilstelling of stopzetting KOT
Belanghebbende voert aan dat de beoordeling van de onderhandse leningen in hun context beoordeeld moeten worden en dat de gevoelens van schaamte, falen en aantasting van haar eer en goede naam vanwege leningen bij familie en vrienden mee moeten worden gewogen.
De Commissie overweegt dat deze schadepost rente en andere kosten betreft als gevolg van het afsluiten van leningen en het aangaan van schulden vanwege de problemen met de KOT. Hoewel de Commissie zich bewust is van de pijnlijke situatie waar belanghebbende in terecht is gekomen en de gevoelens die daarmee gepaard gaan, heeft hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen betrekking op de genoemde onderdelen van deze schadepost en dient het aangevoerde derhalve buiten beschouwing gelaten te worden. De Commissie is daarom van oordeel dat het bezwaar op dit punt ongegrond verklaard dient te worden.
Kosten juridische bijstand
Belanghebbende verzoekt UHT om een aanvullende schadevergoeding toe te kennen voor de kosten van juridische bijstand bij een aantal juridische procedures. UHT wijst dit verzoek af, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de kosten voor juridische bijstand zijn gemaakt door de problemen met de KOT. De Commissie is van oordeel dat UHT op basis van het dossier en de aanvullende stukken het advies van CWS heeft mogen volgen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende vanwege de KOT-problemen de gestelde kosten van juridische bijstand heeft gemaakt. Daarom adviseert de Commissie om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Immateriele schade
Belanghebbende stelt dat UHT niet heeft gemotiveerd op welke manier de immateriele schadevergoeding is opgebouwd. Zij is het niet eens met de hoogte van de deze schadevergoeding. Belanghebbende voert verder aan dat UHT het nieuwe schadekader van CWS niet heeft meegenomen in de bestreden beschikking. Belanghebbende is het niet eens met de bepaling van CWS om een schadevergoeding van € 500 per half jaar toe te passen. Tevens doet belanghebbende een beroep op schending van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek, artikel 1 en 10 Grondwet en artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 14 Internationaal Verdrag voor Burgerlijk en Politieke rechten, Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 82 Algemene verordening gegevensbescherming.
Op 3 juni 2024 is het nieuwe schadekader van CWS in werking getreden. UHT heeft naar aanleiding hiervan de aanvullende beschouwing van 28 november 2024 opgesteld en daarin is zij ingegaan op dit nieuwe schadekader. De Commissie overweegt dat met het nieuwe schadekader van CWS geen forfaitaire bedragen worden toegepast, maar met bouwstenen wordt aangegeven hoeveel vergoeding tegenover welke schade staat. De Commissie is van oordeel dat de bouwstenen en de corresponderende bedragen voldoende zijn toegelicht.
De Commissie is verder van oordeel dat belanghebbende niet concreet heeft gemaakt om welke reden het beroep op de schendingen van verschillende grondrechten zou leiden tot vergoeding van een hogere immateriele schadevergoeding in het kader van de hersteloperatie.
De aansluiting die belanghebbende zoekt bij de normbedragen uit het strafrecht voor 'ten onrechte' in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, gaat evenmin op. De Commissie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 23 juni 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:4449), waarin is overwogen dat in de situatie van de KOT-affaire geen sprake is van onrechtmatige detentie, zodat een vergelijking met de bedragen die in het strafrecht gebruikelijk zijn, reeds daarom niet op gaat. De Commissie acht het bezwaar daarom op deze punten ongegrond.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.
Beginselen van behoorlijk bestuur/Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat het niet duidelijk is hoe de definitieve berekening tot stand gekomen is op basis van de ter beschikking gestelde stukken. De Commissie interpreteert deze stelling als een beroep op schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb.
De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer en een uitgebreide uitleg met behulp van producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en gemotiveerd en dat deze onderbouwing en motivering dient te worden meegenomen in de beslissing op bezwaar.
Na de hoorzitting heeft de Commissie zowel belanghebbende als UHT ruimte gegeven om stukken toe te voegen aan het dossier. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in de aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT te nemen besluit op bezwaar. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb.
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit, zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
Advies CWS
Belanghebbende voert aan dat het advies van CWS niet rechtsgeldig tot stand is gekomen omdat deze in strijd is met het procesreglement van CWS. In het advies is namelijk de naam van het lid of zijn de namen van de leden van de deelcommissie van CWS niet opgenomen. Ook is het advies van CWS niet ondertekend. UHT heeft meermaals in haar aanvullende beschouwingen toegelicht dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid en inhoud van het advies van CWS.
De Commissie overweegt dat CWS een verklaring heeft afgegeven waarin zij bevestigt dat alle eerder door of namens CWS vastgestelde adviezen daadwerkelijk door CWS zijn vastgesteld, ondanks dat niet alle vastgestelde adviezen zijn voorzien van een handtekening. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden om deze verklaring in twijfel te trekken. Belanghebbende is door deze omissie voorts niet in haar belangen geschaad. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Verrekening schadevergoeding aanvullende schade met eerdere toegekende bedragen Belanghebbende stelt dat de forfaitaire materiele en immateriële schadevergoeding en/of de aanvulling op basis van de Catshuisregeling niet in mindering mag worden gebracht op de werkelijke schade. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 17 april 2025 toegelicht dat op grond van de artikelen 2.1, derde en vijfde lid, 2.2, lid d en e, 2.3 en 2.6, vierde lid, van de Wht zij gerechtigd is om de forfaitaire vergoedingen te verrekenen met de vergoeding voor aanvullende werkelijke schade. De Commissie onderschrijft dit standpunt van UHT en acht daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond.
Discriminatie
Belanghebbende voert aan dat zij gediscrimineerd is en dat dit haar leven en haar gezin heeft kapot gemaakt. Bij de bepaling van schadevergoeding vanwege discriminatie en onrechtmatige daad dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De Commissie is van oordeel dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende is gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel eveneens ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 Awir destijds binnen een termijn van dertien weken definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat het tijdsverloop niet een grond is voor het toekennen van aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade.
Hoogte van de KOT
Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over een aantal toeslagjaren zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie vanwege opzet/grove schuld (O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling van een aanpassing van de hoogte van de KOT valt buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de proceskosten in deze bezwaarprocedure conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar tegen naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert zij geen vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten;
- het verzoek om vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter