BAC 2022-10893
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 oktober 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: 10 juli 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) een compensatie toegekend van € 5.666 voor de maandenjanuari en februari 2014.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012, 2013 en 2014. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met het toeslagjaar 2015.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op compensatie van € 5.666 voor de maanden januari en februari 2014. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 heeft ontvangen, heeft er geen nabetaling plaatsgevonden.
- Belanghebbende heeft bij brief van 17 november 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Ondanks dat belanghebbende meerdere keren is opgeroepen, is zij niet ter zitting verschenen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat het onjuist is dat haar ex-partner op de kinderen moest passen. Volgens haar betrof dit slechts één à twee dagen per week. Op de overige dagen paste haar dochter op de kinderen, zodat belanghebbende kon werken. Als gevolg hiervan heeft haar dochter haar studie niet kunnen afronden en een studieschuld opgebouwd. Bovendien raakte belanghebbende, doordat zij geen KOT meer ontving, in ernstige financiële problemen en had zij geen recht meer op een uitkering.
Uit de beschikking van 20 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I blijkt dat belanghebbende is gecompenseerd voor de maanden januari en februari 2014. De Commissie ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de periode maart tot en met december 2014 af te wijzen.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de periode maart tot en met december 2014, nu belanghebbende in die maanden geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Uit het informatie- en beoordelingsformulier is gebleken dat belanghebbende zelf heeft verklaard dat haar ex-partner op de kinderen moest passen. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de periode maart tot en met december 2014 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft overigens alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden dan forfaitair wordt gecompenseerd, kan zij aanvullende compensatie verzoeken voor die werkelijke schade. Belanghebbende dient daartoe een verzoek tot vergoeding van die werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter