BAC 2023-13449
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 10 juni 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 16 mei 2023 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 11 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 en 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren evident geen recht was op de KOT.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 11 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 juni 2025 per e-mail aangegeven dat er geen gegevens bekend zijn dat belanghebbende in 2009 of 2010 een opleiding zou hebben gevolgd. Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen compensatie 2009 en 2010
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de jaren 2009 en 2010 omdat belanghebbende (volgens de KOI-viewer) in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Ook zijn er – in tegenstelling tot wat belanghebbende aangeeft - geen gegevens bekend dat belanghebbende in 2009 en 2010 een opleiding zou hebben gevolgd. Belanghebbende heeft het tegendeel hiervan niet aannemelijk gemaakt.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de toeslagjaren 2009 en 2010 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat B/T bij de terugvorderingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T. De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.
Bekendmaking besluit
Belanghebbende stelt dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. UHT erkent deze fout. De Commissie merkt op dat door de inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift deze omissie in bezwaar is hersteld en belanghebbende hiermee niet in haar belangen is geschaad. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende meent dat bij de voorbereiding en totstandkoming van het besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
De Commissie overweegt dat UHT de bestreden beslissing inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en beoordelingsformulier, beschikkingen, overzichten van het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De (nadere) schriftelijke reactie en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet beoordeelde jaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2007 en 2008 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende weliswaar zag op 2009 tot en met 2011, maar dat de Persoonlijk zaaksbehandelaar (PZB) het verzoek na een gesprek met belanghebbende heeft aangepast naar de toeslagjaren 2009 en 2010.
In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT thans ten onrechte nagelaten heeft de toeslagjaren 2007 en 2008 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA moet worden herroepen.
Belanghebbende heeft echter in bezwaar aangevoerd dat de jaren 2007 en 2008 alsnog beoordeeld dienen te worden. UHT heeft het verzoek in behandeling genomen en zal belanghebbende hier nader over berichten.
Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij tegen die beschikking een nieuw bezwaarschrift indienen.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter