Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13443

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 mei 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 29 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 8 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, alsnog compensatie te verlenen over de periode 16 april tot en met 31 december 2009, de eerdere compensatieberekening aan te passen conform de beschouwing van 9 augustus 2024 en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor het jaar 2008 adviseert de Commissie met belanghebbende af te stemmen of alsnog herbeoordeling gewenst is.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.490,- voor de jaren 2009 (1 januari tot en met 15 april) tot en met 2012. Voor de periode 16 april 2009 tot en met 31 december 2009 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd om de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, Wht toe te passen voor de maanden januari tot en met april van 2009, gelet op de afronding in gehele maanden. Verder heeft de CvW geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1 eerste lid Wht niet van toepassing is voor de maanden mei tot en met december van 2009.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.490,-voor de jaren 2009 (1 januari tot en met 15 april) tot en met 2012. Voor de periode 16 april 2009 tot en met 31 december 2009 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 9 augustus 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 15 januari 2025 heeft gemachtigde de gronden van bezwaar nader aangevuld.
  • UHT heeft op 20 januari 2025 een nadere beschouwing ingediend met bijlagen producties 46 tot en met 48.
  • Op 29 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 februari 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de periode 16 april 2009 tot en met 31 december 2009 af te wijzen.

De volledigheid van het bezwaardossier

Volgens belanghebbende is het bezwaardossier onvolledig. De Commissie stelt vast dat de schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 9 augustus 2024 aan belanghebbende zijn toegezonden, inclusief "overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen". In de loop van de bezwaarprocedure zijn nog nadere stukken ingebracht. Er is geen aanleiding aan te nemen dat met de aanwezigheid van de thans aanwezige stukken niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Periode 16 april 2009 tot en met 31 december 2009

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DCH een forfaitair compensatiebedrag van € 38.490,- toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012, met uitzondering van de periode 16 april tot en met 31 december 2009. In deze periode was volgens UHT sprake van evident geen recht op KOT, en daarmee evenmin recht op compensatie.

Belanghebbende verwijst in de aanvullende bezwaargronden van 15 januari 2025 naar de volgende passage: "Indien de reden van nihilstelling op zichzelf geen aanleiding geeft om te denken dat er evident geen recht op KOT was, is een verdere toets op het recht niet gerechtvaardigd. Dan is het namelijk niet "evident".

Belanghebbende stelt dat nu de reden van nihilstelling non-respons was, er geen aanleiding was voor UHT om te denken dat er evident geen recht op KOT was. Een verdere toets op het recht was daarom niet gerechtvaardigd, waaruit volgt dat zij volledig gecompenseerd moet worden op grond van vooringenomenheid.

De Commissie overweegt dat de tekst van artikel 2.1 lid 2 Wht geen aanknopingspunten biedt voor deze wijze van toetsing. Op grond van artikel 2.1, eerste lid van de Wht wordt compensatie toegekend als ten aanzien van de aanvrager sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het tot oktober 2019 toegepaste wettelijke systeem. Op grond van het tweede lid van deze bepaling blijft compensatie (slechts) achterwege als de geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Dit is de toetsingsmaatstaf bij de beoordeling van verzoeken om compensatie. De Commissie vindt de door gemachtigde genoemde passage ook niet terug in de huidige versie (3.13) van het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek van UHT. Toegepast op de situatie van belanghebbende blijkt uit de overgelegde jaaropgaaf dat sprake was van evident geen recht op KOT vanaf 16 april 2009 tot en met 31 december 2009, wat aan compensatie op grond van vooringenomenheid in de weg staat. In de aanvullende bezwaargronden van 15 januari 2025 merkt belanghebbende op dat in meerdere zaken is gecompenseerd volgens de schuingedrukte tekst hierboven. Dit is echter niet nader geconcretiseerd, zodat geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat UHT in gelijksoortige gevallen verschillende beoordelingsmaatstaven aanlegt.

Belanghebbende betoogt subsidiair dat over een toeslagjaar zowel compensatie vanwege vooringenomenheid als vanwege hardheid toegekend kan worden, mits de periodes niet overlappen. Zij wenst compensatie vanwege hardheid voor de periode van 16 april tot en met 31 december 2009 omdat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt aan de kinderopvanginstelling en zij het heeft moeten terugbetalen.

In de reactie na de hoorzitting van 5 februari 2025 heeft UHT belanghebbende hierin alsnog gevolgd. Gelet op hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht door belanghebbende, de omstandigheden waarin zij destijds verkeerde en het ouderverhaal heeft UHT besloten om alsnog compensatie toe te kennen op grond van hardheid voor de periode 16 april tot en met 31 december 2009.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT adviseren dit in de beslissing op bezwaar te verwerken.

Compensatieberekening

UHT stelt zich in de beschouwing van 9 augustus 2024 op het standpunt dat de rente gemiste KOT onjuist is berekend. Deze had voor 2009 € 1.205,- (in plaats van € 1.201,-) moeten zijn, voor 2010 had het bedrag € 3.420,- (in plaats van €3.408,-) moeten zijn en voor 2011 had het bedrag € 3.066,- moeten zijn (in plaats van €3.055,-). Dit zal in de beschikking op bezwaar worden aangepast. Nu het bezwaar ook op dit punt gegrond is, zal de vergoeding voor immateriële schade worden berekend tot de beslissing op bezwaar en de aanvullende vergoeding van 1% zal ook in het voordeel van belanghebbende worden aangepast.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

OIGS-tegemoetkoming

Hoewel in het Informatie- en beoordelingsformulier (pagina 31 van het dossier) staat vermeld dat belanghebbende recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming voor de periode 16 april 2009 tot en met 31 december 2009, is de Commissie niet bekend met een O/GS-beschikking waarin dit is toegekend. Nu UHT in bezwaar als nader standpunt heeft vermeld dat voor alle herbeoordeelde jaren compensatie wordt toegekend, is op grond van artikel 2.6 lid 4 Wht geen ruimte om ook een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen.

Herbeoordeling 2008

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom het toeslagjaar 2008 niet is meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT.

UHT heeft zich in de aanvullende beschouwing van 20 januari 2025 op het standpunt gesteld dat gelet op het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende het jaar 2008 terecht niet is herbeoordeeld.

De Commissie overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat uit het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende en het Informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat belanghebbende en UHT gericht waren op herbeoordeling van (alleen) de toeslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2012. Uit het ouderverhaal blijkt evenmin dat belanghebbende heeft beoogd dat ook herbeoordeling van het jaar 2008 werd verricht.

In dat licht kan nu niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte nagelaten heeft het toeslagjaar 2008 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

UHT heeft bij de aanvullende beschouwing van 20 januari 2025 informatie verstrekt over het jaar 2008 (productie 46), inhoudende dat in dat jaar een voorschotbeschikking en een definitieve beschikking zijn genomen met hetzelfde bedrag van € 5.562,-. Gelet daarop adviseert de Commissie UHT in overleg te treden met belanghebbende of alsnog herbeoordeling van 2008 gewenst wordt en desgewenst zodanige herbeoordeling van 2008 alsnog uit te voeren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht en adviseert om de primaire beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen, adviseert zij om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding van twee procespunten (bezwaar en hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • Alsnog compensatie toe te kennen voor de periode van 16 april 2009 tot en met 31 december 2009 en de compensatieberekening aan te passen met inachtneming van de compensatie over 2009 en de te wijzigen bedragen in de bijlage bij de beschouwing van 9 augustus 2024;
  • na te gaan of belanghebbende voor het jaar 2008 herbeoordeling wenst;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter