Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10778

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 september 2022 (UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 13 juni 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 23 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 5 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van
5 september 2022 (UHT-DH5 A).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015.
    Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 in de herbeoordeling betrokken.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds golden, niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 5 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 14 oktober 2022, ingekomen op 19 oktober 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 17 januari 2024 heeft gemachtigde zich gesteld als gemachtigde van belanghebbende.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2024 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 10 juni 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 13 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Na de hoorzitting heeft de Commissie UHT in de gelegenheid gesteld om te reageren op hetgeen gemachtigde ter zitting heeft opgebracht ten aanzien van het toeslagjaar 2012. Omdat UHT binnen de gestelde termijn geen nadere reactie heeft gegeven en een dergelijke reactie ook niet op termijn te verwachten is, zal de Commissie de bezwaarprocedure niet langer aanhouden en overgaan tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt om de onderliggende stukken en om inzage in haar persoonlijk dossier dan wel in haar ouderdossier.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 13 januari 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier of ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in deze dossiers het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Het is de Commissie derhalve niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Termijnoverschrijding
Gemachtigde wijst erop dat UHT de beslistermijnen structureel overschrijdt.
Zij vraagt de Commissie om daarover een signaal af te geven.

De Commissie adviseert inhoudelijk over de afdoening van bezwaren en het is niet aan haar om in haar advies een signaal als door belanghebbende gewenst af te geven.

Belanghebbende heeft de mogelijkheid om bij termijnoverschrijding, na een ingebrekestelling, beroep wegens niet tijdig beslissen in te dienen bij de rechtbank.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2012 tot en
met 2014

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014, af te wijzen.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door voor de maand juli 2012 geen KOT toe te kennen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij ter zitting een Kamerbrief van 9 april 2013 voorgedragen. Volgens belanghebbende blijkt uit deze kamerbrief dat zij, gelet op een wetswijziging met terugwerkende kracht, wel degelijk recht zou hebben op KOT voor de maand juli 2012.

De Commissie overweegt dat eventuele omissies in de aanvraag van KOT slechts via een herzieningsverzoek kunnen worden gecorrigeerd. De Wht voorziet enkel in compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie, en biedt binnen de hersteloperatie geen ruimte voor correctie van een onjuiste vaststelling van de KOT.

Voor zover nog van belang, stelt de Commissie vast dat de door belanghebbende aangehaalde wetswijziging in werking is getreden op 1 juli 2013. Deze wijziging bepaalt dat voor aanvragen van KOT vanaf die datum een terugwerkende kracht van maximaal 3 maanden geldt in plaats van 1 maand. Voor aanvragen die zijn gedaan vóór 1 juli 2013, blijft de oude regeling van kracht, waarbij slechts over de maand van aanvraag en de daaraan voorafgaande maand recht op KOT kan bestaan.1 In het geval van belanghebbende is de aanvraag KOT ingediend op
12 september 2012. Dat betekent dat belanghebbende uitsluitend recht kan hebben op KOT vanaf 1 augustus 2012, hetgeen ook is toegekend. De stelling van belanghebbende dat de definitieve beschikking over het toeslagjaar 2012 op
10 oktober 2014 is genomen, toen de nieuwe wet reeds in werking was getreden, maakt dit niet anders.

Voor zover overigens desondanks toch sprake zou zijn van een onjuiste wetstoepassing door B/T, is de Commissie van mening dat deze enkele omstandigheid niet kan worden aangemerkt als vooringenomen handelen van de kant van B/T.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van mening dat niet aannemelijk is geworden dat B/T vooringenomen heeft gehandeld bij de behandeling van de KOT voor het toeslagjaar 2012. Het bezwaar is in zoverre ongegrond.

Toeslagjaren 2013 en 2014

Belanghebbende voert aan dat zij wel aanspraak maakt op compensatie voor de toeslagjaren 2013 en 2014 aangezien B/T zich niet mocht baseren op de gegevens uit de koi-viewer.

De Commissie stelt voorop dat niet in geschil is dat B/T in de jaren 2013 en 2014 vooringenomen gehandeld heeft omdat geen nadere uitvraag is gedaan bij het verlagen van de KOT. De Commissie overweegt dat toekenning van compensatie ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, in dat geval achterwege blijft als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager toerekenbaar zijn.
Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

UHT stelt dat belanghebbende over de periode van 1 mei 2013 tot en met
4 augustus 2014 evident geen recht had op KOT, aangezien de koi-viewer geen geregistreerde opvang in die periode toont. Bovendien ontbreekt er contra-informatie die dit tegenspreekt.

De Commissie is van opvatting dat UHT voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode van 1 mei 2013 tot en met 4 augustus 2014 geen geregistreerde kinderopvang bij de buitenschoolse opvang heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt in overweging genomen dat het voor de hand had gelegen dat dergelijke opvang, indien deze daadwerkelijk was afgenomen, ook zichtbaar zou zijn geweest in de koi-viewer.

Immers, opvanggegevens van dezelfde buitenschoolse opvang zijn in voorafgaande perioden en in de periode van 18 december 2014 tot en met
31 december 2014 wel in de koi-viewer geregistreerd. Belanghebbende betwist bovendien niet dat zij uitsluitend gebruik maakte van deze buitenschoolse opvang en zij heeft bovendien verklaard dat de gegevens van de buitenschoolse opvang kunnen kloppen. Daarnaast ontbreekt contra-informatie in de vorm van jaaropgaven, facturen of andere betalingsbewijzen. Verder merkt de Commissie op dat belanghebbende in de desbetreffende periode slechts een gering inkomen had, terwijl haar toenmalige partner ondernemer was. Dit sluit aan bij de beschikbare gegevens van de buitenschoolse opvang, waaruit blijkt dat er slechts in beperkte mate gebruik is gemaakt van buitenschoolse opvang. Gelet op het voorgaande concludeert de Commissie dat UHT terecht stelt dat in de periode van 1 mei 2013 tot en met 4 augustus 2014 evident geen recht op KOT bestond. De Commissie adviseert daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

1 Kamerstukken II 2012/13, 33538, nr. 9.

Overige bezwaargronden

Uitleg bedragen Landelijk Incasso Centrum (LIC)
Belanghebbende heeft verzocht om een verduidelijking van de verrekeningen en betalingen die voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 hebben plaatsgevonden.

De Commissie meent dat UHT door het opnemen van de LIC-overzichten in het bezwaardossier en door in de schriftelijke beschouwing naar deze overzichten te verwijzen, aan dit verzoek heeft voldaan. De Commissie adviseert daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikkingen
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.

De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Discriminatie
Belanghebbende stelt dat er in haar geval het vermoeden is dat sprake is geweest van discriminatie. Zij wijst daarbij op het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College), waaruit blijkt dat Toeslagenouders met een buitenlandse afkomst vaker door B/T zijn gecontroleerd. Dit onderzoek wordt door belanghebbende aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt.

De Commissie overweegt dat het onderzoek van het College aanwijzingen bevat voor een bredere praktijk van mogelijke discriminatie door B/T. Op basis van de beschikbare stukken, de feiten en omstandigheden die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gekomen, en de schriftelijke beschouwing van UHT, heeft de Commissie onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat in het specifieke geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. Bovendien stelt de Commissie vast dat belanghebbende niet op de FSV-lijst heeft gestaan. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie en advies

Samengevat adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 5 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
  • en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter