BAC 2022-10752
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 oktober 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 3 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 23 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot vergoeding van proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag en herbeoordeling kinderopvangtoeslag van
19 oktober 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 en 2008.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling beperkt tot de toeslagjaren 2007 en 2008.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
- geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 19 oktober 2023, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2008.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 19 oktober 2023, met kenmerk UHT-DH5 A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2007 en 2008.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 november 2022 tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 augustus 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 2 november 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en heeft op 27 juni 2025 producties 27 tot en met 35 aan het dossier toegevoegd.
- Op 3 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 17 juli 2025 op gereageerd.
- Vervolgens heeft UHT op 12 augustus 2025 gereageerd op de reactie van gemachtigde, waarna gemachtigde op 20 augustus 2025 een laatste reactie heeft ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2007 en 2008 af te wijzen.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT
op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)-termijnen.
De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden besluiten, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over de toeslagjaren 2007 en 2008, maar dat niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat dit daarom verder onbesproken.
Code HOTHOR en institutionele vooringenomenheid
Belanghebbende voert aan dat er voor haar een HOTHOR (hoge tegemoetkoming, hoge risico)-signalering gold. Een dergelijke melding geeft volgens belanghebbende een extra controle, waardoor lagere inkomens en/of ouders met veel kinderen (met een buitenlandse afkomst) extra worden geraakt. Belanghebbende stelt dat er op basis daarvan vooringenomen is gehandeld en dat zij is gediscrimineerd, waardoor recht op compensatie bestaat.
HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico-inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Belanghebbende is echter nooit het normbedrag van € 20.000 gepasseerd. Er is daarom ook geen sprake geweest van een HOTHOT-signalering. Van andere aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken, niet gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing van UHT met de bijbehorende producties is op 3 maart 2025 aan gemachtigde toegestuurd. Op 7 juli 2025 en 12 augustus 2025 zijn de aanvullende reacties van UHT aan gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen,
begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe de beschikkingen tot stand zijn gekomen. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Herbeoordeling toeslagjaren 2007 en 2008
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 en 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2007 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen - er waren minder opvanguren afgenomen en er was sprake van een hoger toetsingsinkomen - opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De terugvordering KOT over toeslagjaar 2008 was gebaseerd op door belanghebbende verstrekte gegevens. Belanghebbende had doorgegeven dat zowel zij als haar toeslagpartner niet werkten, een bijstandsuitkering ontvingen en niet tot een doelgroep WKO behoorden, waardoor er evident geen recht op KOT bestond en deze op nihil werd gesteld. In de destijds gevoerde bezwaarprocedure tegen de nihilstelling zijn nadere stukken ingediend, waardoor het recht op KOT gedeeltelijk hersteld is. Nu de KOT nihil is gesteld op basis van door belanghebbende zelf verstrekte informatie, kan niet geconcludeerd worden dat er door de B/T institutioneel vooringenomen is gehandeld.
Deze bijstelling geeft evenmin aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. Het feit dat het zo juist genoemde bezwaarschrift niet in het systeem is terug te vinden leidt niet tot een andere conclusie. Het staat immers vast dat B/T is afgegaan op door belanghebbende verstrekte informatie en dat de KOT naar aanleiding van het bezwaarschrift gedeeltelijk hersteld is. Datzelfde geldt voor de brief van 18 november 2009, die al dan niet door belanghebbende ontvangen is. Nu deze brief slechts een betaaloverzicht betreft acht de Commissie deze kwestie voor wat betreft de beantwoording van de vraag of de B/T vooringenomen heeft gehandeld of dat er sprake is van hardheid niet ter zake doende.
Er was in beide toeslagjaren ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hoogte KOT over 2007
Belanghebbende heeft betoogd dat de KOT over toeslagjaar 2007 te laag is vastgesteld. UHT heeft dat bevestigd maar heeft aangevoerd dat belanghebbende destijds tegen de hoogte van de KOT had moeten ageren.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling van de hoogte van de KOT in 2007 valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Betaal- en verrekening overzichten 2007 en 2008
Belanghebbende heeft in het bezwaar een aantal vragen gesteld over de overzichten ten aanzien van de betalingen en de verrekeningen over toeslagjaren 2007 en 2008. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing vervolgens deze vragen beantwoord en een nadere toelichting op de overzichten gegeven. Ter zitting is namens belanghebbende aangegeven dat de uitleg van UHT voor haar afdoende is, zodat dit punt verder onbesproken kan blijven.
Overige toeslagjaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de overige toeslagjaren niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat er over meerdere toeslagjaren sprake was van KOT. UHT heeft dit betwist en heeft op 7 juli 2025 een overzicht gestuurd, waaruit blijkt dat belanghebbende alleen in 2007 en 2008 KOT toegekend heeft gekregen. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
Nu er geen grond is om compensatie of tegemoetkoming aan belanghebbende toe te kennen, is de Commissie van oordeel dat de overige onderdelen van het bezwaar, ten aanzien van de immateriële schade, forfaitaire vergoedingen en vergoeding van juridische hulp, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikkingen, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter