BAC 2023-13378
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 1 mei 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Ook adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking met kenmerk UHT-DCHA van 11 april 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 en 2010. Vervolgens is de herbeoordeling in overleg met belanghebbende uitgebreid met het toeslagjaar 2011.
- Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 maart 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
- Bij beschikking van 11 april 2023 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 mei 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Op 25 oktober 2023 heeft gemachtigde een ingebrekestelling ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 23 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 oktober 2024 heeft gemachtigde een tweede beroep niet tijdig beslissen ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
- Op 28 april 2025 heeft UHT gereageerd op het verzoek van de Commissie om overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) te overleggen.
- Op 1 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Op dezelfde dag heeft UHT, op verzoek van de Commissie, aanvullende stukken overgelegd.
- Op 19 mei 2025 is gemachtigde gerappelleerd om te reageren op de stukken van UHT. Tot op heden is geen reactie ontvangen.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking van 11 april 2023 ontbreken. Derhalve is de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.
De Commissie onderschrijft het ingenomen standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking is vastgesteld of belanghebbende recht heeft op compensatie dan wel tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten, uitbetalingsoverzichten en van correspondentie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 27 februari 2025 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Belanghebbende voert aan dat zijn toetsingsinkomen in 2010 een onterechte terugvordering van de KOT heeft teweeggebracht en dat op grond hiervan sprake is van vooringenomenheid. Ter zitting heeft gemachtigde namens belanghebbende aangevoerd dat het voor hem onduidelijk is waar het toetsingsinkomen van €93.577 vandaan komt waarop B/T de KOT destijds heeft berekend.
Zowel de Commissie als UHT kwamen ter zitting tot de conclusie dat dit bedrag zeer wel valt te plaatsen in het licht van het jaarinkomen van belanghebbende en zijn partner en daarnaast een transitievergoeding plus eindafrekening die belanghebbende heeft ontvangen in verband met het einde van zijn dienstverband.
Daarbij komt dat belanghebbende niet in bezwaar is gegaan tegen de bepaling van dit toetsingsinkomen. Indien het toetsingsinkomen destijds onjuist was vastgesteld, had belanghebbende hiertegen in bezwaar kunnen gaan. De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen.
Belanghebbende betwist onder meer de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2010 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de stopzetting van de KOT over 2011 niet per 1 januari 2011 had moeten plaatsvinden, maar per 1 april 2011. UHT stelt dat zij geen informatie heeft gevonden in de systemen waaruit blijkt dat de stopzetting per de verkeerde datum is doorgevoerd. Uit de nagestuurde XML-bestanden van UHT blijkt dat zowel digitaal als telefonisch aan B/T gemeld is dat de KOT per 31 december 2010 dan wel op 1 januari 2011 moest worden stopgezet. De Commissie is van oordeel dat B/T niet had hoeven twijfelen aan deze informatie en derhalve van de juistheid van deze meldingen uit mocht gaan. De Commissie acht deze bezwaargrond ongegrond.
Belanghebbende voert aan dat hij vanwege sociaal-emotionele omstandigheden, schaamte, financiële druk, schulden en gezondheidsproblemen aanvullende schade heeft geleden als gevolg van de KOT-terugvorderingen. De Commissie overweegt als volgt.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van oordeel is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
HOT-HOR en discriminatie
Belanghebbende voert aan dat in het dossier staat dat hij in het HOTHOR (hoge toeslag, hoge risico) systeem was opgenomen. Volgens hem is hij daarom gediscrimineerd. De Commissie overweegt als volgt.
In het geval van belanghebbende is een enkele keer - zo blijkt uit het bezwaardossier - het kenmerk HOTHOR toegevoegd. Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de daarvoor vastgestelde norm van €20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Voor de proceskosten in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten en om
- het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter